Home

Uitvoeringswet Verordening huwelijksvermogensstelsels en Verordening vermogensrechtelijke gevolgen geregistreerde partnerschappen

Geldig vanaf 1 juli 2023
Geldig vanaf 1 juli 2023

Uitvoeringswet Verordening huwelijksvermogensstelsels en Verordening vermogensrechtelijke gevolgen geregistreerde partnerschappen

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 01-07-2023]

Aanhef

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat wetgeving nodig is ter uitvoering van de Verordening (EU) nr. 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (PbEU 2016, L 183) en de Verordening (EU) nr. 2016/1104 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen (PbEU 2016, L 183);

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder «de verordening»:

  1. de Verordening (EU) nr. 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (PbEU 2016, L 183), of

  2. de Verordening (EU) nr. 2016/1104 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen (PbEU 2016, L 183).

Artikel 2

1.

De verklaring van uitvoerbaarheid, bedoeld in artikel 42 van de verordening, wordt bij verzoek gevraagd aan de voorzieningenrechter. De artikelen 985 tot en met 990 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn niet van toepassing.

2.

Voor de indiening van het verzoek is de bijstand van een advocaat niet vereist.

3.

Het verzoek wordt in de Nederlandse taal gesteld, onverminderd artikel 15 van de Wet gebruik Friese taal.

4.

Onverminderd het bepaalde in artikel 46 van de verordening wordt bij ongenoegzaamheid van de bij het verzoek overgelegde documenten, aan de verzoeker de gelegenheid tot aanvulling gegeven.

5.

Inwilliging van het verzoek geschiedt in de vorm van een eenvoudig verlof, dat op het overgelegde afschrift van de beslissing wordt gesteld.

6.

Voor de toepassing van de Wet griffierechten burgerlijke zaken wordt het verzoek geacht een verzoek van onbepaalde waarde te zijn.

7.

Op het verzoek tot erkenning, bedoeld in hoofdstuk IV van de verordening, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3

1.

De rechtbank waarvan de voorzieningenrechter op het verzoek om erkenning of de verklaring van uitvoerbaarheid heeft beslist, neemt kennis van het rechtsmiddel, bedoeld in artikel 49 van de verordening. Artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing.

2.

Het rechtsmiddel, bedoeld in artikel 49 van de verordening, wordt, indien het wordt ingesteld door de verzoeker, ingesteld binnen 30 dagen na de dagtekening van de beschikking waarbij het verlof is geweigerd.

3.

Het rechtsmiddel bedoeld in artikel 50 van de verordening is: beroep in cassatie.

4.

Het rechtsmiddel bedoeld in artikel 49 van de verordening en het rechtsmiddel bedoeld in artikel 50 van de verordening, worden ingesteld en behandeld met toepassing van de regels voor de verzoekprocedure in eerste aanleg onderscheidenlijk in cassatie.

5.

Voor de toepassing van de Wet griffierechten in burgerlijke zaken wordt het bij een rechtsmiddel ingestelde verzoek geacht een verzoek van onbepaalde waarde te zijn.

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 6a

Artikel 6b

Artikel 7

Artikel 8