Home

Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden

Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden

Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad

van 28 januari 2002

tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 37, 95 en 133 en artikel 152, lid 4, punt b),

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(3),

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Het vrije verkeer van veilig en gezond voedsel is een wezenlijk aspect van de interne markt, dat een aanzienlijke bijdrage levert tot de gezondheid en het welzijn van de burgers en hun sociale en economische belangen.

(2) Bij de uitvoering van het beleid van de Gemeenschap dient een hoog niveau van bescherming van het leven en de gezondheid van de mens te worden gewaarborgd.

(3) Vrij verkeer van levensmiddelen en diervoeders in de Gemeenschap kan alleen worden verwezenlijkt als de voedsel- en voederveiligheidsvereisten van lidstaat tot lidstaat niet te sterk verschillen.

(4) Er zijn grote verschillen in de levensmiddelenwetgeving van de lidstaten wat de begrippen, de beginselen en de procedures betreft. Wanneer de lidstaten maatregelen met betrekking tot levensmiddelen vaststellen, kunnen deze verschillen het vrije verkeer van levensmiddelen belemmeren en tot ongelijke concurrentievoorwaarden leiden, en daardoor rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt.

(5) Daarom moeten die begrippen, beginselen en procedures in de lidstaten worden geharmoniseerd, zodat zij een gemeenschappelijke basis vormen voor maatregelen op het gebied van levensmiddelen en diervoeders in de lidstaten en op communautair niveau. Er moet evenwel voldoende tijd worden geboden om op zowel nationaal als communautair niveau conflicterende bepalingen in de bestaande wetgeving aan te passen; voorts moet erop worden toegezien dat, in afwachting daarvan, de betrokken wetgeving in het licht van de in deze verordening vervatte beginselen wordt toegepast.

(6) Water wordt, evenals andere levensmiddelen, direct of indirect geconsumeerd en draagt daardoor bij tot de totale blootstelling van de consument aan geconsumeerde stoffen, chemische en microbiologische contaminanten daaronder begrepen. Omdat de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water evenwel reeds gecontroleerd wordt uit hoofde van de Richtlijnen 80/778/EEG(5) en 98/83/EG(6) van de Raad, is het voldoende rekening te houden met het water dat afkomstig is van de plaats waar aan de kwaliteiteisen moet worden voldaan in de zin van artikel 6 van Richtlijn 98/83/EG van de Raad.

(7) In de context van de levensmiddelenwetgeving is het passend voorschriften inzake diervoeders, met inbegrip van de productie en het gebruik ervan, op te nemen, wanneer die diervoeders voor voedselproducerende dieren bestemd zijn. Zulks doet geen afbreuk aan soortgelijke voorschriften die tot dusverre werden toegepast en in de toekomst zullen worden opgenomen in diervoederwetgeving, die op alle dieren, waaronder huisdieren, van toepassing zal zijn.

(8) De Gemeenschap heeft bij de ontwikkeling van levensmiddelenwetgeving gekozen voor een hoog niveau van gezondheidsbescherming en past dat zonder discriminatie toe, ongeacht of de levensmiddelen of diervoeders op de interne markt dan wel internationaal worden verhandeld.

(9) Er dient voor te worden gezorgd dat de consumenten, andere belanghebbenden en de handelspartners vertrouwen hebben in het besluitvormingsproces dat aan de levensmiddelenwetgeving ten grondslag ligt, de wetenschappelijke basis ervan en de structuren en de onafhankelijkheid van de instellingen die de gezondheid en de overige belangen beschermen.

(10) De ervaring heeft geleerd dat er maatregelen moeten worden vastgesteld om te garanderen dat onveilige levensmiddelen niet in de handel worden gebracht en te waarborgen dat er systemen zijn om problemen met de voedselveiligheid op te sporen en daarop te reageren met het oog op de goede werking van de interne markt en de bescherming van de gezondheid. Met betrekking tot de voederveiligheid moeten soortgelijke kwesties aan de orde gesteld worden.

(11) Met het oog op een voldoende omvattende en geïntegreerde benadering van de voedselveiligheid dient het begrip levensmiddelenwetgeving ruim opgevat te worden en een breed scala aan bepalingen te omvatten die direct of indirect op de voedsel- en voederveiligheid van invloed zijn, inclusief bepalingen inzake materiaal en voorwerpen die in aanraking komen met levensmiddelen, diervoeders en andere landbouwgrondstoffen die bij de primaire productie worden gebruikt.

(12) Om de voedselveiligheid te waarborgen, moeten alle aspecten van de voedselproductieketen als één geheel worden beschouwd, vanaf de productie van diervoeders, met inbegrip van de primaire productie, tot en met het verkopen of verstrekken van voedsel aan de consument, aangezien elk onderdeel daarvan op de voedselveiligheid van invloed kan zijn.

(13) De ervaring heeft geleerd dat daarom ook de productie, de vervaardiging, het vervoer en de distributie van diervoeder voor voedselproducerende dieren de nodige aandacht moeten krijgen, met inbegrip van de productie van dieren die in viskwekerijen als voeder kunnen worden gebruikt, aangezien onopzettelijke of bewuste verontreiniging van diervoeder, vervalsing en frauduleuze praktijken of andere onjuiste handelwijzen met betrekking tot diervoeder direct of indirect van invloed kunnen zijn op de voedselveiligheid.

(14) Om dezelfde reden dient aandacht te worden besteed aan andere handelwijzen en grondstoffen bij de primaire productie en de mogelijke gevolgen daarvan voor de voedselveiligheid in haar geheel.

(15) Een netwerk van toplaboratoria op regionaal en/of interregionaal niveau met als doel een voortdurende controle op de voedselveiligheid uit te oefenen, kan een belangrijke rol spelen bij de preventie van potentiële gezondheidsrisico's voor de burgers.

(16) Door de lidstaten en de Gemeenschap vastgestelde maatregelen met betrekking tot levensmiddelen en diervoeders moeten over het algemeen op risicoanalyse gebaseerd zijn, tenzij zulks gezien de omstandigheden of de aard van de maatregel niet toepasselijk zinvol is. Door een risicoanalyse te verrichten alvorens dergelijke maatregelen vast te stellen, kan gemakkelijker vermeden worden dat onterechte belemmeringen voor het vrije verkeer van levensmiddelen worden opgeworpen.

(17) Ingeval levensmiddelenwetgeving gericht is op het beperken, wegnemen of vermijden van een gezondheidsrisico, vormen de drie samenhangende onderdelen van risicoanalyse - risicobeoordeling, risicomanagement en risicocommunicatie - een systematische methodologie voor het vaststellen van doeltreffende, evenredige en doelgerichte maatregelen of andere acties ter bescherming van de gezondheid.

(18) Met het oog op het vertrouwen in de wetenschappelijke grondslag van de levensmiddelenwetgeving dienen de risicobeoordelingen op onafhankelijke, objectieve en doorzichtige wijze te gebeuren en te zijn gebaseerd op de beschikbare wetenschappelijke informatie en gegevens.

(19) Erkend wordt dat in sommige gevallen een wetenschappelijke risicobeoordeling alleen onvoldoende gegevens biedt om daarop een risicomanagementbeslissing te baseren, en dat op goede gronden ook andere relevante factoren in aanmerking moeten worden genomen, waaronder maatschappelijke, economische, traditionele, ethische en milieufactoren alsmede de uitvoerbaarheid van controles.

(20) Ten behoeve van de gezondheidsbescherming in de Gemeenschap is het voorzorgsbeginsel aangevoerd, hetgeen tot belemmeringen voor het vrije verkeer van levensmiddelen en diervoeders kan leiden. Derhalve is het noodzakelijk om voor de hele Gemeenschap een uniforme basis voor de toepassing van dat beginsel vast te stellen.

(21) In specifieke omstandigheden waarin er een risico voor het leven of de gezondheid is, maar er nog wetenschappelijke onzekerheid heerst, biedt het voorzorgsbeginsel een mogelijkheid om te bepalen met welke risicomanagementmaatregelen of andere maatregelen het in de Gemeenschap gekozen hoge niveau van gezondheidsbescherming kan worden gewaarborgd.

(22) Voedselveiligheid en de bescherming van de belangen van de consument worden steeds belangrijkere kwesties voor het grote publiek, niet-gouvernementele organisaties, beroepsorganisaties, internationale handelspartners en handelsorganisaties. Het vertrouwen van de consument en de handelspartners moet worden gewaarborgd door op open, transparante wijze levensmiddelenwetgeving tot stand te brengen, en doordat de overheid de nodige stappen neemt om het publiek te informeren als er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat een levensmiddel een risico voor de gezondheid kan inhouden.

(23) De veiligheid en het vertrouwen van de consumenten in de Gemeenschap en in derde landen zijn van primordiaal belang. De Gemeenschap is een van de belangrijkste partners in de levensmiddelen- en diervoederhandel op mondiaal niveau en als zodanig heeft zij internationale handelsovereenkomsten gesloten, draagt zij bij tot de opstelling van internationale normen ter onderbouwing van de levensmiddelenwetgeving en ondersteunt zij de beginselen van vrije handel in veilige diervoeders en veilige en gezonde levensmiddelen zonder discriminatie en door middel van eerlijke en ethische handelsgebruiken.

(24) Gewaarborgd moet worden dat levensmiddelen en diervoeders die uit de Gemeenschap uitgevoerd of wederuitgevoerd worden, aan de Gemeenschapswetgeving of aan de voorschriften van het land van invoer voldoen; in andere omstandigheden kunnen levensmiddelen en diervoeders alleen uitgevoerd of wederuitgevoerd worden, wanneer het land van invoer daarmee uitdrukkelijk heeft ingestemd; evenwel moet ervoor gezorgd worden dat, zelfs wanneer het land van invoer akkoord gaat, voor de gezondheid schadelijke levensmiddelen of onveilige diervoeders niet worden uitgevoerd of wederuitgevoerd.

(25) Het is nodig de algemene beginselen vast te leggen op grond waarvan levensmiddelen en diervoeders mogen worden verhandeld, alsmede de doelstellingen en beginselen van de bijdrage van de Gemeenschap aan de totstandbrenging van internationale normen en handelsovereenkomsten.

(26) Sommige lidstaten hebben horizontale wetgeving inzake voedselveiligheid vastgesteld waarbij in het bijzonder aan de bedrijven een algemene verplichting wordt opgelegd om uitsluitend veilige levensmiddelen op de markt te brengen. Deze lidstaten hanteren echter uiteenlopende criteria om uit te maken of een levensmiddel veilig is. Als gevolg van deze verschillende benaderingen en het ontbreken van horizontale wetgeving in andere lidstaten kunnen er belemmeringen voor de handel in levensmiddelen ontstaan. Op soortgelijke wijze kunnen er belemmeringen voor de handel in diervoeders ontstaan.

(27) Daarom moeten er algemene vereisten worden vastgelegd opdat alleen veilige levensmiddelen en diervoeders in de handel worden gebracht, om te waarborgen dat de interne markt voor dergelijke producten goed functioneert.

(28) De ervaring heeft geleerd dat de werking van de interne markt voor levensmiddelen en diervoeders in het gedrang kan komen als het onmogelijk is levensmiddelen en diervoeders te traceren. Daarom moet er bij de diervoeder- en levensmiddelenbedrijven een alomvattend systeem worden ingesteld, zodat producten op gerichte en nauwkeurige wijze uit de handel kunnen worden genomen of de consumenten of controlefunctionarissen adequaat kunnen worden geïnformeerd, waardoor in geval van voedselveiligheidsproblemen een eventuele onnodige verdergaande verstoring wordt vermeden.

(29) Levensmiddelen- en diervoederbedrijven, met inbegrip van importeurs, moeten ten minste het bedrijf kunnen identificeren dat hun het levensmiddel, het diervoeder, het dier of de stof heeft geleverd dat of die in een levensmiddel of diervoeder kan worden opgenomen, zodat bij naspeuringen de traceerbaarheid in alle stadia gewaarborgd is.

(30) Een exploitant van een levensmiddelenbedrijf bevindt zich in de beste positie om een veilig systeem op te zetten om levensmiddelen te leveren en te waarborgen dat de geleverde levensmiddelen veilig zijn. Daarom dient de primaire wettelijke verantwoordelijkheid voor de voedselveiligheid bij de exploitant te liggen. Hoewel dit beginsel in sommige lidstaten en sommige onderdelen van de levensmiddelenwetgeving bestaat, is het in andere onderdelen niet uitdrukkelijk vastgelegd of wordt deze verantwoordelijkheid overgenomen door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat door middel van door hen uitgevoerde controles. Dergelijke verschillen kunnen tot handelsbelemmeringen leiden en de concurrentie tussen exploitanten van levensmiddelenbedrijven in verschillende lidstaten verstoren.

(31) Voor diervoeder en exploitanten van diervoederbedrijven dienen soortgelijke vereisten te gelden.

(32) De wetenschappelijke en technische grondslag voor de communautaire wetgeving inzake voedsel- en voederveiligheid dient bij te dragen tot de verwezenlijking van een hoog niveau van gezondheidsbescherming in de Gemeenschap. De Gemeenschap moet beschikken over hoogwaardige, onafhankelijke en doelmatige wetenschappelijke en technische ondersteuning.

(33) De wetenschappelijke en technische vraagstukken met betrekking tot de voedsel- en voederveiligheid worden steeds belangrijker en complexer. Met de oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, hierna de "Autoriteit" genoemd, zou het huidige systeem van wetenschappelijke en technische ondersteuning, dat niet meer opgewassen is tegen de toenemende vraag, worden versterkt.

(34) Uit hoofde van de algemene beginselen van de levensmiddelenwetgeving dient de Autoriteit bij de risicobeoordeling de rol van onafhankelijk wetenschappelijk referentiepunt te vervullen en aldus bij te dragen tot de soepele werking van de interne markt. Haar kan worden gevraagd advies uit te brengen over omstreden wetenschappelijke kwesties, en de communautaire instellingen en de lidstaten zo in staat te stellen om met kennis van zaken risicomanagementbeslissingen te nemen ter waarborging van de voedsel- en voederveiligheid, en er daardoor toe bij te dragen dat verbrokkeling van de interne markt door de vaststelling van ongerechtvaardigde of onnodige belemmeringen voor het vrije verkeer van levensmiddelen en diervoeders wordt vermeden.

(35) De Autoriteit dient een onafhankelijke, wetenschappelijke bron van advies, informatie en risicocommunicatie te zijn, teneinde het vertrouwen van de consument te vergroten; desalniettemin moet ter bevordering van de samenhang tussen risicobeoordelings-, risicomanagement- en risicocommunicatietaken de band tussen risicobeoordelaars en risicomanagers worden versterkt.

(36) De Autoriteit dient een volledig, onafhankelijk wetenschappelijk overzicht te verstrekken van de veiligheids- en andere aspecten van de hele voedsel- en voederketen en moet daartoe verstrekkende verantwoordelijkheden krijgen. Hieronder dienen aangelegenheden te vallen die direct of indirect van invloed zijn op de veiligheid van de voedsel- en voederketen, de gezondheid en het welzijn van dieren en de gezondheid van planten. Er moet evenwel voor gezorgd worden dat de Autoriteit zich op de voedselveiligheid toespitst; haar opdracht met betrekking tot kwesties in verband met de gezondheid van dieren, het welzijn van dieren en de gezondheid van planten die niet gekoppeld zijn aan de veiligheid van de voedselvoorzieningsketen, moet dan ook beperkt worden tot het verstrekken van wetenschappelijk advies. De opdracht van de Autoriteit moet ook wetenschappelijk advies en wetenschappelijke en technische ondersteuning inzake de menselijke voeding in samenhang met de communautaire wetgeving omvatten, evenals desgevraagde bijstand aan de Commissie voor communicatie in verband met communautaire gezondheidsprogramma's.

(37) Aangezien sommige producten die krachtens de levensmiddelenwetgeving toegestaan zijn, zoals bestrijdingsmiddelen en toevoegingsmiddelen voor de diervoeding, risico's voor het milieu of voor de veiligheid van de werknemers kunnen inhouden, moeten ook bepaalde aspecten betreffende het milieu en de bescherming van de werknemers in overeenstemming met de betrokken wetgeving door de Autoriteit worden beoordeeld.

(38) Om dubbele wetenschappelijke beoordelingen en bijbehorende wetenschappelijke adviezen met betrekking tot genetisch gemodificeerde organismen te vermijden, verstrekt de Autoriteit ook wetenschappelijk advies over andere producten dan levensmiddelen en diervoeders die verband houden met genetisch gemodificeerde organismen, zoals omschreven in Richtlijn 2001/18/EG(7) en onverminderd de daarin vastgestelde procedures.

(39) De Autoriteit dient, via het verlenen van steun voor wetenschappelijke kwesties, de rol van de Gemeenschap en de lidstaten bij de ontwikkeling en vaststelling van internationale voedselveiligheidsnormen en handelsovereenkomsten te bevorderen.

(40) Het vertrouwen van de communautaire instellingen, het grote publiek en de belanghebbenden in de Autoriteit is van wezenlijk belang. Daarom is het essentieel dat onafhankelijkheid, een hoog wetenschappelijk niveau, doorzichtigheid en efficiëntie voor de Autoriteit gewaarborgd zijn. Ook samenwerking met de lidstaten is onontbeerlijk.

(41) Daartoe moet de benoeming van de leden van de raad van bestuur zodanig geschieden dat de hoogste graad van bekwaamheid, bijvoorbeeld op het gebied van management en overheidsadministratie, een uitgebreide relevante deskundigheid en een zo breed mogelijke geografische spreiding in de Unie verzekerd zijn. Dit moet worden vergemakkelijkt door een toerbeurtsysteem voor de verschillende landen waaruit de leden van de raad van bestuur afkomstig zijn, zonder dat daarbij posten worden gereserveerd voor personen van een specifieke lidstaat.

(42) De Autoriteit dient over de middelen te beschikken om alle taken te verrichten die nodig zijn om haar functie te vervullen.

(43) De raad van bestuur dient de bevoegdheid te krijgen om de begroting vast te stellen, op de uitvoering daarvan toe te zien, een huishoudelijk reglement op te stellen, een financieel reglement vast te stellen, en de leden van het wetenschappelijk comité en van de wetenschappelijke panels alsmede de uitvoerend directeur te benoemen.

(44) Wil de Autoriteit doeltreffend functioneren, dan dient zij nauw samen te werken met de bevoegde instanties in de lidstaten. Er moet een adviesforum komen om de uitvoerend directeur te adviseren, om een mechanisme voor uitwisseling van informatie te vormen en om te zorgen voor nauwe samenwerking, met name met betrekking tot networking. Door samenwerking en passende informatie-uitwisseling zou ook de mogelijkheid dat er uiteenlopende wetenschappelijke adviezen worden uitgebracht, moeten worden geminimaliseerd.

(45) De Autoriteit dient de taak van de aan de Commissie verbonden wetenschappelijke comités betreffende het uitbrengen van wetenschappelijke adviezen op het terrein waarvoor zij bevoegd is, over te nemen. Deze comités dienen te worden gereorganiseerd om een grotere wetenschappelijke samenhang met betrekking tot de voedselvoorzieningsketen te bereiken en hen in staat te stellen doeltreffender te functioneren. Daarom dienen er bij de Autoriteit een wetenschappelijk comité en permanente wetenschappelijke panels te worden ingesteld om deze adviezen uit te brengen.

(46) Ter waarborging van de onafhankelijkheid dienen het comité en de panels te bestaan uit onafhankelijke wetenschappers die aan de hand van een open sollicitatieprocedure zijn aangeworven.

(47) De rol van de Autoriteit als onafhankelijk wetenschappelijk referentiepunt betekent dat niet alleen de Commissie, maar ook het Europees Parlement en de lidstaten haar om wetenschappelijk advies kunnen vragen. Om de beheersbaarheid en de samenhang van het wetenschappelijk advies te waarborgen, moet de Autoriteit een verzoek op basis van vooraf bepaalde criteria op gemotiveerde wijze kunnen weigeren of wijzigen. Verder moeten er maatregelen worden getroffen om uiteenlopende wetenschappelijke adviezen te voorkomen, en in geval van uiteenlopende wetenschappelijke adviezen van wetenschappelijke instanties moeten er procedures zijn om het conflict op te lossen of de risicomanagers een transparante basis van wetenschappelijke informatie te verstrekken.

(48) De Autoriteit dient voorts wetenschappelijke studies te kunnen laten verrichten die voor de vervulling van haar taken nodig zijn, waarbij zij er door middel van haar contacten met de Commissie en de lidstaten voor moet zorgen dat dubbel werk wordt voorkomen. Dat dient op een open en eerlijke manier te gebeuren, waarbij de Autoriteit rekening dient te houden met de bestaande communautaire deskundigheid en structuren.

(49) Het ontbreken van een doeltreffend systeem voor de verzameling en analyse op communautair niveau van gegevens over de voedselvoorzieningsketen wordt onderkend als een ernstige tekortkoming. Daarom moet er een systeem voor de verzameling en analyse van relevante gegevens op de door de Autoriteit bestreken gebieden worden opgezet, in de vorm van een door de Autoriteit gecoördineerd netwerk. Er moet een herziening komen van de reeds bestaande communautaire gegevensverzamelingsnetwerken op de onder de Autoriteit ressorterende gebieden.

(50) Een verbeterde opsporing van nieuwe risico's kan op de lange termijn voor de lidstaten en de Gemeenschap een belangrijk preventiehulpmiddel bij de beleidsuitvoering worden. Daarom moet de Autoriteit tot taak krijgen hierop te anticiperen door informatie te verzamelen, waakzaamheid te betrachten en nieuwe risico's te evalueren en er informatie over te verstrekken teneinde die risico's te voorkomen.

(51) De oprichting van de Autoriteit dient de lidstaten de mogelijkheid te bieden om nauwer bij de wetenschappelijke procedures te worden betrokken. Daartoe dienen de Autoriteit en de lidstaten nauw samen te werken. Met name moet de Autoriteit bepaalde taken kunnen opdragen aan organisaties in de lidstaten.

(52) Er moet worden gezorgd voor een juist evenwicht tussen de noodzaak om nationale organisaties in te schakelen om taken voor de Autoriteit te verrichten en de noodzaak om ter wille van de algehele samenhang te waarborgen dat die taken worden uitgevoerd overeenkomstig de voor dergelijke taken opgestelde criteria. De bestaande procedures voor de toewijzing van wetenschappelijke taken aan de lidstaten, in het bijzonder met betrekking tot de beoordeling van door het bedrijfsleven ingediende dossiers voor de toelating van bepaalde stoffen, producten of procédés, zullen binnen een jaar opnieuw moeten worden bezien met als doel rekening te houden met de oprichting van de Autoriteit en de nieuwe faciliteiten die zij biedt, waarbij de evaluatieprocedures ten minste even strikt blijven als tevoren.

(53) De Commissie blijft volledig verantwoordelijk voor de communicatie van de risicomanagementmaatregelen; derhalve moet de relevante informatie tussen de Autoriteit en de Commissie worden uitgewisseld; er is ook nauwe samenwerking tussen de Autoriteit, de Commissie en de lidstaten nodig om de samenhang van het algemene communicatieproces te waarborgen.

(54) De onafhankelijkheid van de Autoriteit en haar voorlichtingstaak ten aanzien van het publiek betekenen dat zij onafhankelijk moet kunnen communiceren op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen, met als doel objectieve, betrouwbare en gemakkelijk te begrijpen informatie te verstrekken.

(55) Adequate samenwerking met de lidstaten en andere belanghebbenden op het gebied van publieksvoorlichtingscampagnes is noodzakelijk om rekening te houden met eventuele regionale parameters en de afstemming op het gezondheidsbeleid.

(56) De Autoriteit moet niet alleen op basis van onafhankelijkheid en doorzichtigheid te werk gaan, maar ook openstaan voor contacten met de consumenten en andere belanghebbende groepen.

(57) De Autoriteit dient uit de algemene begroting van de Europese Unie te worden gefinancierd. In het licht van de opgedane ervaring echter, met name wat betreft de behandeling van door het bedrijfsleven ingediende vergunningsdossiers, zal binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening worden nagegaan of er vergoedingen kunnen worden gevraagd. De voor de Gemeenschapsbegroting geldende procedure blijft echter van toepassing op de eventuele subsidies ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie. Voorts dient de Rekenkamer de rekeningen te controleren.

(58) Deelname van Europese landen die geen lidstaat van de Europese Unie zijn en die overeenkomsten hebben gesloten op grond waarvan zij de communautaire wetgeving op het door deze verordening bestreken gebied moeten omzetten en uitvoeren, moet mogelijk zijn.

(59) Er bestaat al een systeem voor snelle waarschuwing in het kader van Richtlijn 92/59/EEG van de Raad van 29 juni 1992 inzake algemene productveiligheid(8). Onder dit systeem vallen levensmiddelen en industriële producten, maar geen diervoeders. Uit recente voedselcrises is gebleken dat er een verbeterd en verruimd systeem voor snelle waarschuwing moet worden opgezet dat levensmiddelen en diervoeders omvat. Dit herziene systeem dient door de Commissie te worden beheerd en dient als leden van het netwerk de lidstaten, de Commissie en de Autoriteit te omvatten. Het systeem dient niet van toepassing te zijn op de communautaire regelingen voor snelle uitwisseling van informatie in geval van stralingsgevaar als gedefinieerd in Beschikking 87/600/Euratom van de Raad(9).

(60) Uit recente voedselveiligheidsincidenten is gebleken dat er passende maatregelen voor noodsituaties moeten komen, om te waarborgen dat voor alle levensmiddelen, ongeacht soort en oorsprong, en voor alle diervoeders gemeenschappelijke maatregelen worden genomen in geval van een ernstig risico voor de gezondheid van de mens, de gezondheid van de dieren of het milieu. Met een dergelijke integrale aanpak voor noodmaatregelen in verband met de voedselveiligheid zou doeltreffend moeten kunnen worden opgetreden en vermeden moeten worden dat er kunstmatige verschillen ontstaan in de behandeling van een ernstig risico in verband met levensmiddelen of diervoeders.

(61) Uit recente voedselcrises is ook gebleken dat het voor de Commissie nuttig is om over aangepaste, snellere procedures voor crisismanagement te beschikken. Deze organisatorische procedures dienen het mogelijk te maken de inspanningen beter te coördineren en op grond van de beste wetenschappelijke informatie te bepalen wat de doeltreffendste maatregelen zijn. Daarom moeten deze herziene procedures rekening houden met de verantwoordelijkheden van de Autoriteit en haar in staat stellen om in geval van een voedselcrisis wetenschappelijke en technische bijstand in de vorm van advies te verlenen.

(62) Met het oog op een doeltreffender, integrale aanpak inzake de voedselketen dient een Comité voor de voedselketen en de diergezondheid te worden ingesteld ter vervanging van het Permanent Veterinair Comité, het Permanent Comité voor levensmiddelen en het Permanent Comité voor veevoeder. Derhalve dienen de Besluiten 68/361/EEG(10), 69/414/EEG(11) en 70/372/EEG(12) van de Raad te worden ingetrokken. Om dezelfde reden zou het Comité voor de voedselketen en de diergezondheid ook in de plaats moeten treden van het Permanent Plantenziektekundig Comité ter zake van zijn bevoegdheid (wat betreft de Richtlijnen 76/895/EEG(13), 86/362/EEG(14), 83/363/EEG(15), 90/642/EEG(16) en 91/414/EEG(17)) voor gewasbeschermingsmiddelen en het bepalen van maximumresidugehalten.

(63) De maatregelen ter uitvoering van deze verordening moeten worden aangenomen overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(18).

(64) Het is nodig het bedrijfsleven voldoende tijd te bieden om zich aan een aantal voorschriften van deze verordening aan te passen, en dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid haar werkzaamheden op 1 januari 2002 aanvangt.

(65) Verwarring tussen de taken van de Autoriteit en die van het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling, ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 2309/93 van de Raad(19), moet worden vermeden. Daarom moet worden vastgelegd dat deze verordening geen afbreuk doet aan de aan het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling toegekende bevoegdheden, met inbegrip van de bevoegdheden die zijn toegekend bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad van 26 juni 1990 houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong(20).

(66) Het is ter verwezenlijking van de voornaamste doelstellingen van deze verordening noodzakelijk en gepast de concepten, beginselen en procedures die een gemeenschappelijke basis vormen voor de levensmiddelenwetgeving in de Gemeenschap, op elkaar af te stemmen en een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op te richten. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 5 van het Verdrag gaat deze verordening niet verder dan hetgeen noodzakelijk is om de nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Doel en toepassingsgebied

1. Deze verordening verschaft de grondslag voor een hoog beschermingsniveau voor de volksgezondheid en de belangen van de consument met betrekking tot levensmiddelen, met name rekening houdend met de diversiteit van de voedselvoorziening, met inbegrip van traditionele producten, waarbij de goede werking van de interne markt gewaarborgd wordt. Zij legt gemeenschappelijke beginselen en verantwoordelijkheden vast, de middelen om een stevige wetenschappelijke basis tot stand te brengen, doelmatige organisatorische regelingen en procedures ter onderbouwing van de besluitvorming inzake voedsel- en voederveiligheidsaangelegenheden.

2. Voor de toepassing van lid 1 worden in deze verordening algemene beginselen inzake levensmiddelen en diervoeders in het algemeen en de voedsel- en voederveiligheid in het bijzonder, op Gemeenschaps- en nationaal niveau vastgesteld.

Bij deze verordening wordt de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid opgericht.

Deze verordening stelt de procedures vast voor aangelegenheden die direct of indirect op de voedsel- en voederveiligheid van invloed zijn.

3. Deze verordening is van toepassing op alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen en diervoeders. Zij is niet van toepassing op de primaire productie voor particulier huishoudelijk gebruik, noch op de huishoudelijke bereiding, behandeling of opslag van levensmiddelen voor particulier huishoudelijk verbruik.

Artikel 2

Definitie van "levensmiddel"

In deze verordening wordt verstaan onder "levensmiddel" (of "voedingsmiddel"): alle stoffen en producten, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd.

Dit begrip omvat tevens drank, kauwgom alsmede iedere stof, daaronder begrepen water, die opzettelijk tijdens de vervaardiging, de bereiding of de behandeling aan het levensmiddel wordt toegevoegd. Het omvat water afkomstig van de plaats waar aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan, in de zin van artikel 6 van Richtlijn 98/83/EG en onverminderd de voorschriften van Richtlijn 80/778/EEG en Richtlijn 98/83/EG.

Onder deze definitie vallen niet:

a) diervoeder;

b) levende dieren, tenzij bereid om in de handel te worden gebracht voor menselijke consumptie;

c) planten vóór de oogst;

d) geneesmiddelen in de zin van Richtlijn 65/65/EEG(21) en Richtlijn 92/73/EEG(22) van de Raad;

e) cosmetische producten in de zin van Richtlijn 76/768/EEG van de Raad(23);

f) tabak en tabaksproducten in de zin van Richtlijn 89/622/EEG van de Raad(24);

g) verdovende middelen en psychotrope stoffen in de zin van het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake verdovende middelen van 1961 en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971;

h) residuen en contaminanten.

Artikel 3

Overige definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1. "levensmiddelenwetgeving": de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot levensmiddelen in het algemeen en de voedselveiligheid in het bijzonder, zowel op het niveau van de Gemeenschap als op nationaal niveau; deze term bestrijkt alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen, alsmede van diervoeders die voor voedselproducerende dieren worden geproduceerd of daaraan worden vervoederd;

2. "levensmiddelenbedrijf": onderneming, zowel publiek- als privaatrechtelijk, die al dan niet met winstoogmerk actief is in enig stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen;

3. "exploitant van een levensmiddelenbedrijf": natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de in de levensmiddelenwetgeving vastgestelde voorschriften in het levensmiddelenbedrijf waarover hij de leiding heeft;

4. "diervoeders": alle stoffen en producten, inclusief additieven, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om te worden gebruikt voor orale vervoedering aan dieren;

5. "diervoederbedrijf": onderneming, zowel publiek- als privaatrechtelijk, die, al dan niet met winstoogmerk, actief is in productie, vervaardiging, verwerking, opslag, vervoer of distributie van diervoeders, met inbegrip van producenten die diervoeders produceren, verwerken of opslaan met het oog op vervoedering aan dieren op het eigen bedrijf;

6. "exploitant van een diervoederbedrijf": natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de in de levensmiddelenwetgeving vastgestelde voorschriften in het diervoederbedrijf waarover hij de leiding heeft;

7. "detailhandel": het hanteren en/of verwerken van levensmiddelen en het opslaan daarvan op de plaats van verkoop of levering aan de eindverbruiker, inclusief distributieterminals, cateringdiensten, bedrijfskantines, institutionele maaltijdvoorziening, restaurants en andere soortgelijke diensten voor voedselvoorziening, winkels, distributiecentra voor supermarkten en groothandelsbedrijven;

8. "in de handel brengen": het voorhanden hebben van levensmiddelen of diervoeders met het oog op de verkoop, met inbegrip van het ten verkoop aanbieden, of enige andere vorm van al dan niet gratis overdracht, alsmede de eigenlijke verkoop, distributie en andere vormen van overdracht zelf;

9. "risico": functie van de kans op een nadelig gezondheidseffect en de ernst van dat effect, voortvloeiend uit een gevaar;

10. "risicoanalyse": proces bestaande uit drie samenhangende onderdelen: risicobeoordeling, risicomanagement en risicocommunicatie;

11. "risicobeoordeling": wetenschappelijk gefundeerd proces, bestaande uit vier stappen: gevareninventarisatie, gevarenkarakterisatie, blootstellingsschatting en risicokarakterisatie;

12. "risicomanagement": van risicobeoordeling te onderscheiden proces waarin de beleidsalternatieven in overleg met de belanghebbenden tegen elkaar worden afgewogen, rekening houdende met de risicobeoordeling en andere legitieme factoren, en, zo nodig, de passende preventie- en beheersingsmaatregelen worden gekozen;

13. "risicocommunicatie": interactieve uitwisseling van informatie en standpunten gedurende het hele risicoanalyseproces betreffende gevaren en risico's, met de risico's verband houdende factoren en risicopercepties, tussen risicobeoordelaars, risicomanagers, consumenten, levensmiddelen- en diervoederbedrijven, de academische wereld en andere belanghebbenden, met inbegrip van de toelichting van de resultaten van de risicobeoordeling en de grondslag voor risicomanagementbeslissingen;

14. "gevaar": biologisch, chemisch of fysisch agens in een levensmiddel of diervoeder, of de toestand van een levensmiddel of diervoeder, met mogelijk nadelige gevolgen voor de gezondheid;

15. "traceerbaarheid": mogelijkheid om een levensmiddel, diervoeder, voedselproducerend dier of stof die bestemd is om in een levensmiddel of diervoeder te worden verwerkt of waarvan kan worden verwacht dat zij daarin wordt verwerkt, door alle stadia van de productie, verwerking en distributie te traceren en te volgen;

16. "stadia van de productie, verwerking en distributie": alle stadia, met inbegrip van invoer, vanaf de primaire productie van een levensmiddel tot en met opslag, vervoer, verkoop of levering daarvan aan de eindverbruiker en, voorzover van toepassing, invoer, productie, vervaardiging, opslag, vervoer, distributie, verkoop en levering van diervoeder;

17. "primaire productie": de productie, het fokken en het telen van primaire producten tot en met het oogsten, het melken en de productie van landbouwhuisdieren, voorafgaande aan het slachten; dit begrip omvat tevens de jacht, de visvangst, en de oogst van wilde producten;

18. "eindverbruiker": de laatste verbruiker van een levensmiddel die het niet als deel van een levensmiddelenexploitatie of -activiteit zal gebruiken.

HOOFDSTUK II

ALGEMENE LEVENSMIDDELENWETGEVING

Artikel 4

Werkingssfeer

1. Dit hoofdstuk heeft betrekking op alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen, alsmede van diervoeders die voor voedselproducerende dieren worden geproduceerd of daaraan worden vervoederd.

2. De in de artikelen 5 tot en met 10 vastgelegde beginselen vormen een algemeen horizontaal kader dat bij het treffen van maatregelen in acht moet worden genomen.

3. De bestaande beginselen en procedures van de levensmiddelenwetgeving worden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 1 januari 2007 aangepast, teneinde te voldoen aan de artikelen 5 tot en met 10.

4. Tot dan, en in afwijking van lid 2, wordt de bestaande wetgeving geïmplementeerd rekening houdend met de in de artikelen 5 tot en met 10 vastgelegde beginselen.

AFDELING 1

ALGEMENE BEGINSELEN VAN DE LEVENSMIDDELENWETGEVING

Artikel 5

Algemene doelstellingen

1. De levensmiddelenwetgeving streeft een of meer van de algemene doelstellingen van een hoog niveau van bescherming van het leven en de gezondheid van de mens, de bescherming van de belangen van de consument, inclusief eerlijke praktijken in de levensmiddelenhandel na, indien van toepassing rekening houdend met de bescherming van de gezondheid en het welzijn van dieren, de gezondheid van planten en het milieu.

2. De levensmiddelenwetgeving streeft naar de verwezenlijking van vrij verkeer in de Gemeenschap van levensmiddelen en diervoeders die overeenkomstig de algemene beginselen en vereisten van dit hoofdstuk vervaardigd of in de handel gebracht zijn.

3. Indien er internationale normen bestaan of op korte termijn tot stand zullen komen, wordt hiermee bij de ontwikkeling en aanpassing van de levensmiddelenwetgeving rekening gehouden, tenzij die normen of de betrokken gedeelten ervan een ondoeltreffend of ongeschikt middel zouden zijn om de legitieme doelstellingen van de levensmiddelenwetgeving te verwezenlijken, er wetenschappelijke gronden zijn om deze buiten beschouwing te laten, of bedoelde normen tot een ander beschermingsniveau zouden leiden dan het niveau dat in de Gemeenschap passend wordt geacht.

Artikel 6

Risicoanalyse

1. Om de algemene doelstelling van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en het leven van de mens te verwezenlijken, wordt de levensmiddelenwetgeving gebaseerd op risicoanalyse, tenzij dit wegens de omstandigheden of de aard van de maatregel niet toepasselijk is.

2. Risicobeoordeling is gebaseerd op de beschikbare wetenschappelijke gegevens en wordt op onafhankelijke, objectieve en doorzichtige wijze uitgevoerd.

3. Bij risicomanagement wordt rekening gehouden met de resultaten van de risicobeoordeling, in het bijzonder de adviezen van de krachtens artikel 22 opgerichte Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, met andere ter zake dienende factoren en met het voorzorgsbeginsel indien aan de in artikel 7, lid 1, bedoelde voorwaarden is voldaan, zulks met het oog op het bereiken van de in artikel 5 omschreven algemene doelstellingen van de levensmiddelenwetgeving.

Artikel 7

Voorzorgsbeginsel

1. In specifieke situaties waarin na beoordeling van de beschikbare informatie de mogelijkheid van schadelijke gevolgen voor de gezondheid is geconstateerd, maar er nog wetenschappelijke onzekerheid heerst, kunnen, in afwachting van nadere wetenschappelijke gegevens ten behoeve van een vollediger risicobeoordeling, voorlopige maatregelen voor risicomanagement worden vastgesteld om het in de Gemeenschap gekozen hoge niveau van gezondheidsbescherming te waarborgen.

2. Krachtens lid 1 vastgestelde maatregelen zijn evenredig en beperken de handel niet meer dan nodig is om het in de Gemeenschap gekozen hoge niveau van gezondheidsbescherming te verwezenlijken, rekening houdend met de technische en economische haalbaarheid en andere ter zake dienende factoren. De maatregelen dienen binnen een redelijke termijn opnieuw te worden bezien, afhankelijk van de aard van het geconstateerde risico voor het leven of de gezondheid en het soort wetenschappelijke informatie dat nodig is om de wetenschappelijke onzekerheid weg te nemen en een vollediger risicobeoordeling uit te voeren.

Artikel 8

Bescherming van consumentenbelangen

1. De levensmiddelenwetgeving streeft ernaar de belangen van de consument te beschermen en biedt de consumenten een basis om met kennis van zaken keuzen te maken ten aanzien van de door hen geconsumeerde levensmiddelen. Daarbij wordt gestreefd naar de voorkoming van:

a) frauduleuze of bedrieglijke praktijken;

b) de vervalsing van levensmiddelen, en

c) alle andere praktijken die de consument kunnen misleiden.

AFDELING 2

BEGINSELEN VAN DOORZICHTIGHEID

Artikel 9

Raadpleging van het publiek

Het publiek wordt bij de opstelling, beoordeling en herziening van de levensmiddelenwetgeving rechtstreeks of via representatieve organen op een openbare en transparante wijze geraadpleegd, behalve wanneer zulks om redenen van urgentie onmogelijk is.

Artikel 10

Informatie van het publiek

Onverminderd de toepasselijke bepalingen van het Gemeenschapsrecht en het nationale recht betreffende de toegang tot documenten, nemen de autoriteiten, wanneer er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat een levensmiddel of een diervoeder een risico voor de gezondheid van mens of dier inhoudt, afhankelijk van de aard, ernst en omvang van dat risico de nodige stappen om het publiek te informeren over de aard van het gezondheidsrisico, waarbij zij zo volledig mogelijk aangeven welk levensmiddel of diervoeder, dan wel welke soort levensmiddel of diervoeder, het betreft, welk risico dat kan inhouden en welke maatregelen zijn genomen of zullen worden genomen om het risico te voorkomen, te beperken of weg te nemen.

AFDELING 3

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN VOOR DE HANDEL IN LEVENSMIDDELEN

Artikel 11

In de Gemeenschap ingevoerde levensmiddelen en diervoeders

Levensmiddelen en diervoeders die in de Gemeenschap worden ingevoerd om er in de handel te worden gebracht, dienen te voldoen aan de toepasselijke voorschriften van de levensmiddelenwetgeving dan wel aan de voorschriften die door de Gemeenschap als ten minste gelijkwaardig daaraan zijn aangemerkt, of, ingeval er een specifieke overeenkomst tussen de Gemeenschap en het land van uitvoer bestaat, aan de voorschriften daarvan.

Artikel 12

Uit de Gemeenschap uitgevoerde levensmiddelen en diervoeders

1. Uit de Gemeenschap uitgevoerde of wederuitgevoerde levensmiddelen en diervoeders om in een derde land in de handel te worden gebracht, dienen te voldoen aan de toepasselijke voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, behoudens andersluidend verzoek van de autoriteiten van het land van invoer of andersluidende bepalingen in de wetgeving, voorschriften, normen, gedragscodes en eventuele andere wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen van het land van invoer.

In andere omstandigheden, behalve wanneer de levensmiddelen schadelijk zijn voor de gezondheid of het diervoerder onveilig is, mogen levensmiddelen of diervoeders alleen uit de Gemeenschap uitgevoerd of wederuitgevoerd worden indien de bevoegde autoriteiten van het land van bestemming daarmee uitdrukkelijk hebben ingestemd, na volledig geïnformeerd te zijn over de redenen waarom en de omstandigheden waaronder de betrokken levensmiddelen of diervoeders in de Gemeenschap niet in de handel konden worden gebracht.

2. Ingeval de bepalingen van een bilaterale overeenkomst tussen de Gemeenschap of een van haar lidstaten en een derde land van toepassing zijn, dienen uit de Gemeenschap of die lidstaat naar dat derde land uitgevoerde levensmiddelen en diervoeders met die bepalingen in overeenstemming te zijn.

Artikel 13

Internationale normen

Onverminderd hun rechten en verplichtingen zullen de Gemeenschap en de lidstaten:

a) bijdragen tot de totstandkoming van internationale technische normen voor levensmiddelen en diervoeders, alsmede sanitaire en fytosanitaire normen;

b) de coördinatie van de normalisatiewerkzaamheden op levensmiddelen- en diervoedergebied van internationale gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties bevorderen;

c) bijdragen, waar nodig en van toepassing bij tot de totstandbrenging van overeenkomsten inzake de erkenning van de gelijkwaardigheid van specifieke maatregelen met betrekking tot levensmiddelen en diervoeders;

d) bijzondere aandacht schenken aan de bijzondere behoeften van de ontwikkelingslanden op ontwikkelings-, financieel en handelsgebied teneinde ervoor te zorgen dat de internationale normen geen onnodige belemmeringen opwerpen voor de uitvoer uit ontwikkelingslanden;

e) de overeenstemming tussen internationale technische normen en levensmiddelenwetgeving bevorderen, waarbij zij erop toezien dat aan het in de Gemeenschap vastgestelde hoge beschermingsniveau geen afbreuk wordt gedaan.

AFDELING 4

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN VAN DE LEVENSMIDDELENWETGEVING

Artikel 14

Voedselveiligheidsvoorschriften

1. Levensmiddelen worden niet in de handel gebracht indien zij onveilig zijn.

2. Levensmiddelen worden geacht onveilig te zijn indien zij worden beschouwd als:

a) schadelijk voor de gezondheid;

b) ongeschikt voor menselijke consumptie.

3. Bij de beoordeling of een levensmiddel onveilig is, worden de volgende punten in aanmerking genomen:

a) de normale omstandigheden van het gebruik van het levensmiddel door de consument, alsmede in alle stadia van productie, verwerking en distributie, en

b) de informatie die aan de consument wordt verstrekt, inclusief de informatie op het etiket, of andere informatie die algemeen voor consumenten beschikbaar is betreffende het vermijden van specifieke nadelige gezondheidseffecten van een bepaald levensmiddel of een categorie levensmiddelen.

4. Bij de beoordeling of een levensmiddel schadelijk voor de gezondheid is, worden de volgende punten in aanmerking genomen:

a) niet alleen het vermoedelijke onmiddellijke en/of kortetermijn- en/of langetermijneffect dat het levensmiddel heeft op de gezondheid van iemand die het consumeert, maar ook het effect op diens nakomelingen;

b) de vermoedelijke cumulatieve toxische effecten;

c) de bijzondere fysieke gevoeligheden van een specifieke categorie consumenten ingeval het levensmiddel voor die categorie consumenten bestemd is.

5. Bij de beoordeling of een levensmiddel ongeschikt is voor menselijke consumptie, wordt bezien of een levensmiddel onaanvaardbaar is voor menselijke consumptie, gelet op het gebruik waarvoor het is bestemd, als gevolg van verontreiniging door vreemd materiaal of anderszins, of door verrotting, kwaliteitsverlies of bederf.

6. Wanneer een onveilig levensmiddel deel uitmaakt van een partij of zending van dezelfde klasse of omschrijving, wordt aangenomen dat alle levensmiddelen in die partij of zending onveilig zijn, tenzij een uitvoerig onderzoek geen aanwijzingen oplevert dat de rest van de partij of zending onveilig is.

7. Levensmiddelen die aan specifieke communautaire bepalingen betreffende voedselveiligheid voldoen, worden veilig geacht voorzover het de aspecten betreft die onder die specifieke communautaire bepalingen vallen.

8. Het feit dat een levensmiddel voldoet aan de voor dat levensmiddel geldende specifieke bepalingen belet de bevoegde autoriteiten niet de nodige maatregelen te nemen om beperkingen op te leggen aan het in de handel brengen of te eisen dat het uit de handel wordt genomen indien er redenen zijn om te vermoeden dat het levensmiddel onveilig is, al voldoet het aan de bepalingen.

9. Wanneer specifieke communautaire bepalingen ontbreken, worden levensmiddelen veilig geacht wanneer zij voldoen aan de specifieke bepalingen van de nationale levensmiddelenwetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de levensmiddelen in de handel zijn gebracht, voorzover die bepalingen worden vastgesteld en toegepast onverminderd het Verdrag, in het bijzonder de artikelen 28 en 30.

Artikel 15

Veiligheidsvoorschriften voor diervoeders

1. Diervoeders worden niet in de handel gebracht of aan voedselproducerende dieren vervoederd indien zij onveilig zijn.

2. Diervoeders worden geacht onveilig te zijn voor het gebruik waarvoor zij zijn bestemd indien zij worden beschouwd als producten die:

- nadelige effecten hebben op de dierlijke of menselijke gezondheid;

- het levensmiddel dat wordt geproduceerd uit voedselproducerende dieren, onveilig voor menselijke consumptie maken.

3. Wanneer een diervoeder waarvan is vastgesteld dat het niet aan de veiligheidsvoorschriften voor diervoeders voldoet, deel uitmaakt van een partij of zending diervoeder van dezelfde klasse of omschrijving, wordt aangenomen dat dit geldt voor al het diervoeder in die partij of zending, tenzij er na een uitvoerig onderzoek geen aanwijzingen zijn dat de rest van de partij of zending niet aan de veiligheidsvoorschriften voor diervoeders voldoet.

4. Diervoeders die aan specifieke communautaire bepalingen van de levensmiddelenwetgeving voldoen, worden veilig geacht voorzover het de aspecten betreft die onder die specifieke communautaire bepalingen vallen.

5. Het feit dat een diervoeder voldoet aan de voor dat diervoeder geldende specifieke bepalingen, belet de bevoegde autoriteiten niet de nodige maatregelen te nemen om beperkingen op te leggen aan het in de handel brengen of te eisen dat het uit de handel wordt genomen indien er redenen zijn om te vermoeden dat het diervoeder onveilig is, al voldoet het aan de bepalingen.

6. Wanneer specifieke communautaire bepalingen ontbreken, worden diervoeders veilig geacht wanneer zij voldoen aan de specifieke bepalingen van de nationale wetgeving inzake diervoeders van de lidstaat op het grondgebied waarvan de diervoeders in het verkeer zijn gebracht, voorzover die bepalingen worden vastgesteld en toegepast onverminderd het Verdrag, in het bijzonder de artikelen 28 en 30.

Artikel 16

Aanbiedingsvorm

Onverminderd specifieke bepalingen van de levensmiddelenwetgeving mogen de etikettering van, de reclame voor en de aanbiedingsvorm van levensmiddelen en diervoeders, met inbegrip van de vorm, het uiterlijk en de verpakking ervan, het gebruikte verpakkingsmateriaal, de wijze waarop zij worden gepresenteerd, de omgeving waarin zij zijn uitgestald, alsmede de informatie die erover wordt verstrekt via ongeacht welke kanalen, de consument niet misleiden.

Artikel 17

Verantwoordelijkheden

1. De exploitanten van levensmiddelenbedrijven en diervoederbedrijven zorgen ervoor dat de levensmiddelen en diervoeders in alle stadia van de productie, verwerking en distributie in de bedrijven onder hun beheer voldoen aan de voorschriften van de levensmiddelenwetgeving die van toepassing zijn op hun bedrijvigheid en controleren of deze voorschriften metterdaad worden nageleefd.

2. De lidstaten handhaven de levensmiddelenwetgeving en gaan na of de exploitanten van levensmiddelenbedrijven en diervoederbedrijven de toepasselijke voorschriften van de levensmiddelenwetgeving in alle stadia van de productie, verwerking en distributie naleven.

Daartoe onderhouden zij een systeem van officiële controles en andere op de situatie afgestemde activiteiten, met inbegrip van de communicatie met het publiek over de veiligheid en de risico's van levensmiddelen en diervoeders, bewaking van de veiligheid van levensmiddelen en diervoeders alsmede andere controleactiviteiten betreffende alle stadia van de productie, verwerking en distributie.

Voorts stellen de lidstaten de regels vast inzake maatregelen en sancties in geval van overtredingen van de wetgeving inzake levensmiddelen en diervoeder. De maatregelen en sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 18

Traceerbaarheid

1. Levensmiddelen, diervoeders, voedselproducerende dieren en alle andere stoffen die bestemd zijn om in een levensmiddel of diervoeder te worden verwerkt of waarvan kan worden verwacht dat zij daarin worden verwerkt, zijn in alle stadia van de productie, verwerking en distributie traceerbaar.

2. De exploitanten van levensmiddelenbedrijven en diervoederbedrijven moeten kunnen nagaan wie hun levensmiddelen, diervoeders, voedselproducerende dieren of andere stoffen die bestemd zijn om in levensmiddelen of diervoeders te worden verwerkt of waarvan kan worden verwacht dat zij daarin worden verwerkt, heeft geleverd.

Hiertoe moeten deze exploitanten beschikken over systemen en procedures met behulp waarvan deze informatie op verzoek aan de bevoegde autoriteiten kan worden verstrekt.

3. De exploitanten van levensmiddelenbedrijven en diervoederbedrijven moeten beschikken over systemen en procedures waarmee kan worden vastgesteld aan welke bedrijven zij hun producten hebben geleverd. Deze informatie wordt op verzoek aan de bevoegde autoriteiten verstrekt.

4. Levensmiddelen of diervoeders die in de Gemeenschap op de markt worden of vermoedelijk zullen worden gebracht, worden met het oog op hun traceerbaarheid adequaat geëtiketteerd of gekenmerkt door middel van relevante documentatie of informatie overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van meer specifieke bepalingen.

5. Bepalingen voor de toepassing van de leden 1 tot en met 4 met betrekking tot bepaalde sectoren kunnen volgens de procedure van artikel 58, lid 2, worden vastgesteld.

Artikel 19

Verantwoordelijkheden voor levensmiddelen: exploitanten van levensmiddelenbedrijven

1. Indien een exploitant van een levensmiddelenbedrijf van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een levensmiddel dat hij ingevoerd, geproduceerd, verwerkt, vervaardigd of gedistribueerd heeft niet aan de voedselveiligheidsvoorschriften voldoet, leidt hij onmiddellijk de procedures in om het betrokken levensmiddel uit de handel te nemen wanneer dit de directe controle van de exploitant van een levensmiddelenbedrijf heeft verlaten, en de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis te stellen. Indien het product de consument bereikt kan hebben, stelt de exploitant de consumenten op doeltreffende en nauwkeurige wijze in kennis van de redenen voor het uit de handel nemen en roept zo nodig, wanneer andere maatregelen niet volstaan om een hoog niveau van gezondheidsbescherming te verwezenlijken, de reeds aan consumenten geleverde producten terug.

2. Een exploitant van een levensmiddelenbedrijf die verantwoordelijk is voor activiteiten met betrekking tot de detailhandel of distributie die niet van invloed zijn op de verpakking, etikettering, veiligheid en integriteit van het levensmiddel leidt, binnen het bestek van zijn activiteiten, procedures in om producten die niet aan de voedselveiligheidsvoorschriften voldoen, uit de handel te nemen en draagt bij tot de voedselveiligheid door relevante informatie door te geven die nodig is om een levensmiddel te traceren, waarbij hij meewerkt aan de door de producenten, de verwerkers, de fabrikanten en/of de bevoegde autoriteiten ondernomen actie.

3. Een exploitant van een levensmiddelenbedrijf stelt de bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis als hij van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een door hem in de handel gebracht levensmiddel schadelijk voor de menselijke gezondheid kan zijn. Hij stelt de bevoegde autoriteiten in kennis van de maatregelen die hij heeft genomen om risico's voor de eindgebruiker te voorkomen en verhindert of ontmoedigt niemand om overeenkomstig de nationale wetgeving en de juridische praktijk, met de bevoegde autoriteiten samen te werken, indien hierdoor een risico in verband met een levensmiddel kan worden voorkomen, beperkt of weggenomen.

4. De exploitanten van levensmiddelenbedrijven werken samen met de bevoegde autoriteiten aan maatregelen om risico's, verbonden aan een levensmiddel dat zij leveren of geleverd hebben, te vermijden of te beperken.

Artikel 20

Verantwoordelijkheden voor diervoeders: exploitanten van diervoederbedrijven

1. Indien een exploitant van een diervoederbedrijf van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een diervoeder dat hij ingevoerd, geproduceerd, verwerkt, vervaardigd of gedistribueerd heeft niet aan de voederveiligheidsvoorschriften voldoet, leidt hij onmiddellijk de procedures in om het betrokken diervoeder uit de handel te nemen en de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis te stellen. Onder die omstandigheden of in het geval van artikel 15, lid 3, wanneer de charge, partij of zending niet aan de veiligheidsvoorschriften voor diervoerders voldoet, wordt dit voeder vernietigd, tenzij op een andere wijze aan de eisen van de bevoegde autoriteit wordt voldaan. De exploitant stelt de gebruikers van het diervoeder op doeltreffende en nauwkeurige wijze in kennis van de redenen voor het uit de handel nemen en roept zo nodig, wanneer andere maatregelen niet volstaan om een hoog niveau van gezondheidsbescherming te verwezenlijken, de reeds aan hen geleverde producten terug.

2. Een exploitant van een diervoederbedrijf die verantwoordelijk is voor activiteiten met betrekking tot de detailhandel of distributie die niet van invloed zijn op de verpakking, etikettering, veiligheid en integriteit van het diervoeder leidt, binnen het bestek van zijn activiteiten, procedures in om producten die niet aan de voederveiligheidsvoorschriften voldoen, uit de handel te nemen en draagt bij tot de voedselveiligheid door relevante informatie door te geven die nodig is om een diervoeder te traceren, waarbij hij meewerkt aan de door de producenten, de verwerkers, de fabrikanten en/of de bevoegde autoriteiten ondernomen actie.

3. Een exploitant van een diervoederbedrijf stelt de bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis als hij van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat door hem in de handel gebracht diervoeder wellicht niet aan de veiligheidsvoorschriften voor diervoeders voldoet. Hij stelt de bevoegde autoriteiten in kennis van de maatregelen die hij heeft genomen om risico's als gevolg van het gebruik van dat diervoeder te voorkomen, en verhindert of ontmoedigt niemand om overeenkomstig de nationale wetgeving en de juridische praktijk, met de bevoegde autoriteiten samen te werken, indien hierdoor een risico in verband met een diervoeder kan worden voorkomen, beperkt of weggenomen.

4. De exploitanten van diervoederbedrijven werken samen met de bevoegde autoriteiten aan maatregelen om risico's, verbonden aan een diervoeder dat zij leveren of geleverd hebben, te vermijden.

Artikel 21

Aansprakelijkheid

De bepalingen van dit hoofdstuk laten Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken(25) onverlet.

HOOFDSTUK III

EUROPESE AUTORITEIT VOOR VOEDSELVEILIGHEID

AFDELING 1

OPDRACHT EN WERKZAAMHEDEN

Artikel 22

Opdracht van de Autoriteit

1. Er wordt een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid opgericht, hierna "de Autoriteit" genoemd.

2. De Autoriteit verstrekt wetenschappelijk advies en wetenschappelijke en technische ondersteuning voor de wetgeving en het beleid van de Gemeenschap in alle aangelegenheden die direct of indirect op de voedsel- en voederveiligheid van invloed zijn. Zij verstrekt onafhankelijke informatie over alle aangelegenheden op die gebieden en verzorgt de communicatie inzake risico's.

3. De Autoriteit draagt bij tot een hoog niveau van bescherming van het leven en de gezondheid van de mens, en houdt in dat verband rekening met de gezondheid en het welzijn van dieren, de gezondheid van planten en het milieu, in het kader van de werking van de interne markt.

4. De Autoriteit verzamelt en analyseert gegevens opdat de risico's met directe of indirecte gevolgen voor de voedsel- of voederveiligheid kunnen worden gekarakteriseerd en gemonitord.

5. De opdracht van de Autoriteit houdt tevens in dat zij:

a) wetenschappelijk advies en wetenschappelijke technische ondersteuning inzake de menselijke voeding in samenhang met de communautaire wetgeving verstrekt, alsmede, op verzoek van de Commissie, bijstand betreffende de communicatie over voedingskwesties in het kader van het programma van de Gemeenschap op gezondheidsgebied;

b) wetenschappelijke adviezen inzake andere aangelegenheden in verband met de gezondheid en het welzijn van dieren alsmede de gezondheid van planten verstrekt;

c) wetenschappelijke adviezen verstrekt inzake andere producten dan levensmiddelen en diervoeders die verband houden met genetisch gemodificeerde organismen, zoals omschreven in Richtlijn 2001/18/EG en onverminderd de daarin vastgestelde procedures.

6. De Autoriteit brengt wetenschappelijke adviezen uit die als wetenschappelijke grondslag dienen voor de formulering en vaststelling van communautaire maatregelen op de gebieden die tot haar taakstelling behoren.

7. De Autoriteit verricht haar werkzaamheden onder dusdanige omstandigheden dat zij uit hoofde van haar onafhankelijkheid, de wetenschappelijke en technische kwaliteit van de door haar uitgebrachte adviezen en door haar verspreide informatie, de transparantie van haar procedures en werkwijzen en de zorgvuldigheid waarmee zij de haar opgedragen werkzaamheden verricht, als referentiepunt kan fungeren.

Zij handelt in nauwe samenwerking met de bevoegde instanties in de lidstaten die soortgelijke werkzaamheden verrichten als de Autoriteit.

8. De Autoriteit, de Commissie en de lidstaten werken samen om een effectieve samenhang tussen risicobeoordelings-, risicomanagement- en risicocommunicatietaken te bevorderen.

9. De lidstaten werken met de Autoriteit samen met het oog op de vervulling van haar opdracht.

Artikel 23

Werkzaamheden van de Autoriteit

De Autoriteit:

a) verstrekt de communautaire instellingen en de lidstaten de best mogelijke wetenschappelijke adviezen in alle gevallen waarin de communautaire wetgeving hierin voorziet en over alle vraagstukken die tot haar opdracht behoren;

b) bevordert en coördineert de ontwikkeling van uniforme risicobeoordelingsmethoden op de gebieden die tot haar opdracht behoren;

c) biedt de Commissie wetenschappelijke en technische ondersteuning op de gebieden die tot haar opdracht behoren, en op verzoek, bij de interpretatie van adviezen inzake risicobeoordeling;

d) laat de wetenschappelijke studies verrichten die nodig zijn om haar opdracht te vervullen;

e) zoekt, verzamelt, vergelijkt en analyseert wetenschappelijke en technische gegevens op de gebieden die tot haar opdracht behoren en vat deze gegevens samen;

f) onderneemt actie om nieuwe risico's op de gebieden die tot haar opdracht behoren, op te sporen en te karakteriseren;

g) stelt een systeem in van netwerken van organisaties die werkzaam zijn op de gebieden die tot haar opdracht behoren en is verantwoordelijk voor de werking van die netwerken;

h) verleent op verzoek van de Commissie wetenschappelijke en technische bijstand bij de door de Commissie ingevoerde crisismanagementprocedures met betrekking tot de veiligheid van levensmiddelen en diervoeders;

i) verleent op verzoek van de Commissie wetenschappelijke en technische bijstand teneinde de samenwerking tussen de Gemeenschap, kandidaat-lidstaten, internationale organisaties en derde landen op de gebieden die tot haar opdracht behoren te verbeteren;

j) zorgt ervoor dat het publiek en de belanghebbenden snelle, betrouwbare, objectieve en begrijpelijke informatie krijgen op de gebieden die tot haar opdracht behoren;

k) formuleert onafhankelijk haar eigen conclusies en richtsnoeren omtrent aangelegenheden die tot haar opdracht behoren;

l) verricht alle andere haar door de Commissie opgedragen werkzaamheden die tot haar opdracht behoren.

AFDELING 2

ORGANISATIE

Artikel 24

Organen van de Autoriteit

De Autoriteit bestaat uit:

a) een raad van bestuur;

b) een uitvoerend directeur en zijn personeel;

c) een adviesforum;

d) een wetenschappelijk comité en wetenschappelijke panels.

Artikel 25

Raad van bestuur

1. De raad van bestuur bestaat uit veertien door de Raad in overleg met het Europees Parlement benoemde leden, die gekozen worden uit een door de Commissie opgestelde lijst welke een wezenlijk groter aantal kandidaten bevat dan het aantal te benoemen leden, alsmede een vertegenwoordiger van de Commissie. Vier leden hebben banden met organisaties die de consumenten en andere belangengroepen met betrekking tot de voedselketen vertegenwoordigen.

De door de Commissie opgestelde lijst wordt, vergezeld van de relevante documentatie, aan het Europees Parlement toegezonden. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden na die mededeling, kan het Europees Parlement zijn standpunten met het oog op overweging door de Raad kenbaar maken, waarna de Raad overgaat tot benoeming van de raad van bestuur.

De benoeming van de leden van de raad geschiedt zodanig dat de hoogste graad van bekwaamheid, een uitgebreide deskundigheid en, met inachtneming daarvan, een zo breed mogelijke geografische spreiding in de Unie verzekerd is.

2. De leden worden voor vier jaar benoemd en deze benoeming kan eenmaal worden hernieuwd. De eerste ambtstermijn bedraagt evenwel zes jaar voor de helft van de leden.

3. De raad van bestuur stelt op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur het huishoudelijk reglement van de Autoriteit vast. Het reglement wordt openbaar gemaakt.

4. De raad van bestuur kiest uit zijn midden een voorzitter voor een periode van twee jaar, die kan worden verlengd.

5. De raad van bestuur stelt zijn reglement van orde vast.

Tenzij anders bepaald, worden de besluiten van de raad van bestuur met gewone meerderheid genomen.

6. De raad van bestuur komt op convocatie van de voorzitter of op verzoek van ten minste een derde van de leden bijeen.

7. De raad van bestuur ziet erop toe dat de Autoriteit haar opdracht vervult en de haar opgedragen werkzaamheden verricht overeenkomstig de in deze verordening vastgelegde voorwaarden.

8. De raad van bestuur stelt jaarlijks vóór 31 januari het werkprogramma van de Autoriteit voor het lopende jaar op. Ook stelt hij een aanpasbaar meerjarenprogramma vast. De raad van bestuur ziet erop toe dat deze programma's aansluiten bij de wetgevings- en beleidsprioriteiten van de Gemeenschap op het gebied van de voedselveiligheid.

De raad van bestuur stelt jaarlijks vóór 30 maart het algemeen verslag over de werkzaamheden van de Autoriteit in het voorgaande jaar vast.

9. Na de goedkeuring van de Commissie en het advies van de Rekenkamer te hebben ontvangen stelt de raad van bestuur het financieel reglement van de Autoriteit vast, waarin met name de procedure voor de opstelling en uitvoering van de begroting van de Autoriteit is vastgelegd, overeenkomstig artikel 142 van het Financieel Reglement van 21 december 1977 van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(26) en de wettelijke voorschriften betreffende de onderzoeken die door het Europees Bureau voor fraudebestrijding uitgevoerd worden.

10. De uitvoerend directeur neemt zonder stemrecht deel aan de vergaderingen van de raad van bestuur en neemt het secretariaat daarvan waar. De raad van bestuur nodigt de voorzitter van het wetenschappelijk comité uit om zijn vergaderingen, zonder stemrecht, bij te wonen.

Artikel 26

Uitvoerend directeur

1. De uitvoerend directeur wordt door de raad van bestuur benoemd, op basis van een lijst van kandidaten die de Commissie opstelt na een open sollicitatieprocedure waarvoor in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en op andere plaatsen een oproep tot het tonen van belangstelling is verschenen, voor een periode van vijf jaar, die kan worden verlengd. Alvorens te worden benoemd, wordt de door de raad van bestuur voorgedragen kandidaat onverwijld verzocht voor het Europees Parlement een verklaring af te leggen en vragen van leden van deze instelling te beantwoorden. De uitvoerend directeur kan door een meerderheid van de raad van bestuur van zijn functie worden ontheven.

2. De uitvoerend directeur is de wettelijke vertegenwoordiger van de Autoriteit. Hij is belast met:

a) de dagelijkse leiding van de Autoriteit;

b) de opstelling van een voorstel voor de werkprogramma's van de Autoriteit, in overleg met de Commissie;

c) de uitvoering van de werkprogramma's en de besluiten van de raad van bestuur;

d) de zorg voor de verstrekking van de nodige wetenschappelijke, technische en administratieve ondersteuning voor het wetenschappelijk comité en de wetenschappelijke panels;

e) de zorg dat de Autoriteit haar taken overeenkomstig de behoeften van haar gebruikers verricht, met name wat betreft de doeltreffendheid van de verleende diensten en de daarvoor benodigde termijn;

f) de opstelling van de staten van ontvangsten en uitgaven en de uitvoering van de begroting van de Autoriteit;

g) alle personeelszaken;

h) het leggen en onderhouden van contacten met het Europees Parlement en het zorg dragen voor een geregelde dialoog met de betrokken commissies van het Europees Parlement.

3. Elk jaar legt de uitvoerend directeur aan de raad van bestuur de volgende stukken ter goedkeuring voor:

a) een ontwerp van een algemeen verslag over alle activiteiten van de Autoriteit in het voorgaande jaar;

b) ontwerp-werkprogramma's;

c) de ontwerp-jaarrekening over het voorgaande jaar;

d) de ontwerp-begroting voor het volgende jaar.

De uitvoerend directeur zendt het algemeen verslag en de programma's, nadat die zijn aangenomen door de raad van bestuur, naar het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de lidstaten en maakt ze openbaar.

4. De uitvoerend directeur keurt alle financiële uitgaven van de Autoriteit goed en brengt aan de raad van bestuur verslag uit over de werkzaamheden van de Autoriteit.

Artikel 27

Adviesforum

1. Het adviesforum bestaat uit vertegenwoordigers van de bevoegde organen in de lidstaten die soortgelijke taken vervullen als de Autoriteit; elke lidstaat wijst één vertegenwoordiger aan. De vertegenwoordigers kunnen zich laten vervangen door gelijktijdig benoemde plaatsvervangers.

2. De leden van het adviesforum mogen geen lid van de raad van bestuur zijn.

3. Het adviesforum adviseert de uitvoerend directeur bij de vervulling van zijn taken krachtens deze verordening, en in het bijzonder bij het opstellen van een voorstel voor het werkprogramma van de Autoriteit. De uitvoerend directeur kan het adviesforum ook om advies verzoeken inzake de prioriteitstelling met betrekking tot verzoeken om wetenschappelijk advies.

4. Het adviesforum vormt een instantie voor uitwisseling van informatie over mogelijke risico's en voor bundeling van kennis. Het zorgt voor nauwe samenwerking tussen de Autoriteit en de bevoegde organen in de lidstaten, met name op de volgende punten:

a) vermijding van overlappingen van het wetenschappelijk onderzoek van de Autoriteit met dat van de lidstaten, overeenkomstig artikel 32;

b) in de in artikel 30, lid 4, genoemde omstandigheden, wanneer de Autoriteit en een nationale instantie verplicht zijn samen te werken;

c) de bevordering van de vorming van Europese netwerken van organisaties die werkzaam zijn op de gebieden die tot de opdracht van de Autoriteit behoren, overeenkomstig artikel 36, lid 1;

d) wanneer de Autoriteit of een lidstaat een nieuw risico heeft opgespoord.

5. Het adviesforum wordt voorgezeten door de uitvoerend directeur. Het komt geregeld, ten minste viermaal per jaar, bijeen, hetzij op uitnodiging van de voorzitter, hetzij op verzoek van ten minste een derde van de leden. De werkwijze van het adviesforum wordt vastgelegd in het huishoudelijk reglement van de Autoriteit en openbaar gemaakt.

6. De Autoriteit verschaft het adviesforum de nodige technische en logistieke ondersteuning en verzorgt het secretariaat van de vergaderingen.

7. Vertegenwoordigers van de diensten van de Commissie kunnen aan de werkzaamheden van het adviesforum deelnemen. De uitvoerend directeur kan vertegenwoordigers van het Europees Parlement en van andere bevoegde organen uitnodigen daaraan deel te nemen.

Wanneer het adviesforum de in artikel 22, lid 5, onder b), bedoelde aangelegenheden bespreekt, kunnen vertegenwoordigers van de bevoegde organen in de lidstaten die soortgelijke taken hebben als die bedoeld in artikel 22, lid 5, onder b), aan de werkzaamheden van het adviesforum deelnemen, met dien verstande dat elke lidstaat één vertegenwoordiger aanwijst.

Artikel 28

Wetenschappelijk comité en wetenschappelijke panels

1. Het wetenschappelijk comité en de permanente wetenschappelijke panels hebben elk op hun eigen bevoegdheidsgebied tot taak de wetenschappelijke adviezen van de Autoriteit uit te brengen en kunnen zo nodig openbare hoorzittingen organiseren.

2. Het wetenschappelijk comité is belast met de algemene coördinatie ter waarborging van de samenhang van de wetenschappelijke adviesprocedure, met name ten aanzien van de vaststelling van de werkprocedure en de harmonisatie van de werkmethoden. Het brengt advies uit over multisectorale onderwerpen die onder de bevoegdheid van verscheidene wetenschappelijke panels vallen en over onderwerpen waarvoor geen van de wetenschappelijke panels bevoegd is.

In voorkomend geval en met name voor onderwerpen waarvoor geen van de wetenschappelijke panels bevoegd is, stelt het werkgroepen in. In die gevallen steunt het op de deskundigheid van deze werkgroepen om de wetenschappelijke adviezen vast te stellen.

3. Het wetenschappelijk comité bestaat uit de voorzitters van de wetenschappelijke panels en zes onafhankelijke wetenschappelijke deskundigen die niet tot de wetenschappelijke panels behoren.

4. De wetenschappelijke panels bestaan uit onafhankelijke wetenschappelijke deskundigen. Bij de oprichting van de Autoriteit worden de volgende wetenschappelijke panels ingesteld:

a) het panel voor levensmiddelenadditieven, aroma's, technische hulpstoffen en materialen die met levensmiddelen in aanraking komen;

b) het panel voor toevoegingsmiddelen en producten of stoffen die in de diervoeding worden gebruikt;

c) het panel voor de gezondheid van gewassen, gewasbeschermingsmiddelen en de residuen daarvan;

d) het panel voor genetisch gemodificeerde organismen;

e) het panel voor dieetproducten, voeding en allergieën;

f) het panel voor biologische gevaren;

g) het panel voor contaminanten in de voedselketen;

h) het panel voor diergezondheid en dierenwelzijn.

Het aantal en de namen van de wetenschappelijke panels kunnen op verzoek van de Autoriteit door de Commissie volgens de procedure van artikel 58, lid 2, worden aangepast in het licht van de technische en wetenschappelijke ontwikkelingen.

5. De leden van het wetenschappelijk comité die geen lid van een wetenschappelijk panel zijn, en de leden van de wetenschappelijke panels worden op voordracht van de uitvoerend directeur door de raad van bestuur benoemd voor een termijn van drie jaar, die kan worden verlengd, nadat hiervoor in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, in geschikte toonaangevende wetenschappelijke publicaties en op de website van de Autoriteit een oproep tot het tonen van belangstelling is verschenen.

6. Het wetenschappelijk comité en de wetenschappelijke panels kiezen elk uit hun midden een voorzitter en twee vice-voorzitters.

7. Het wetenschappelijk comité en de wetenschappelijke panels nemen hun besluiten bij meerderheid van stemmen van hun leden. Minderheidsstandpunten worden vermeld.

8. De vertegenwoordigers van de diensten van de Commissie mogen de vergaderingen van het wetenschappelijk comité, de wetenschappelijke panels en de werkgroepen ervan bijwonen. Zij mogen op verzoek een toelichting of nadere informatie verstrekken, maar mogen de discussies niet trachten te beïnvloeden.

9. De procedures voor het functioneren en de samenwerking van het wetenschappelijk comité en de wetenschappelijke panels worden vastgelegd in het huishoudelijk reglement van de Autoriteit.

Deze procedures hebben met name betrekking op:

a) het aantal ambtstermijnen dat een lid van een wetenschappelijk comité of van een wetenschappelijk panel achtereenvolgens mag vervullen;

b) het aantal leden van elk wetenschappelijk panel;

c) de procedure voor de vergoeding van onkosten van de leden van het wetenschappelijk comité en de wetenschappelijke panels;

d) de wijze waarop de taken en verzoeken om wetenschappelijke adviezen aan het wetenschappelijk comité en de wetenschappelijke panels worden toegewezen;

e) de oprichting en organisatie van de werkgroepen van het wetenschappelijk comité en de wetenschappelijke panels, en de mogelijkheid om externe deskundigen in deze werkgroepen op te nemen;

f) de mogelijkheid waarnemers uit te nodigen om de vergaderingen van het wetenschappelijk comité en de wetenschappelijke panels bij te wonen;

g) de mogelijkheid openbare hoorzittingen te organiseren.

AFDELING 3

FUNCTIONEREN

Artikel 29

Wetenschappelijke adviezen

1. De Autoriteit brengt wetenschappelijk advies uit:

a) op verzoek van de Commissie, over alle aangelegenheden die tot haar opdracht behoren, en in alle gevallen waarin de communautaire wetgeving voorschrijft dat de Autoriteit moet worden geraadpleegd;

b) op eigen initiatief, over aangelegenheden die tot haar opdracht behoren.

Het Europees Parlement of een lidstaat kunnen de Autoriteit verzoeken wetenschappelijk advies uit te brengen over aangelegenheden die tot haar opdracht behoren.

2. In lid 1 bedoelde verzoeken gaan vergezeld van achtergrondinformatie over het wetenschappelijke probleem dat aan de orde is, en over het belang dat een en ander voor de Gemeenschap heeft.

3. Ingeval in de communautaire wetgeving geen termijn voor het uitbrengen van een wetenschappelijk advies is vastgelegd, brengt de Autoriteit haar wetenschappelijke adviezen uit binnen de termijn die in het verzoek om advies is aangegeven, behalve in naar behoren gemotiveerde omstandigheden.

4. Ingeval er verschillende verzoeken worden gedaan in verband met dezelfde aangelegenheden, of ingeval het verzoek niet met lid 2 strookt, dan wel onduidelijk is, kan de Autoriteit ofwel een verzoek van de hand wijzen, ofwel in overleg met de verzoekende instelling of lidstaat/lidstaten wijzigingen in een verzoek om advies voorstellen. Een afwijzing wordt ten overstaan van de verzoekende instelling of lidstaat/lidstaten gemotiveerd.

5. Ingeval de Autoriteit reeds een wetenschappelijk advies over het specifieke onderwerp in een verzoek heeft uitgebracht, kan zij het verzoek weigeren, indien zij tot de conclusie komt dat er geen nieuwe wetenschappelijke elementen zijn die een nieuw onderzoek rechtvaardigen. Een weigering wordt ten overstaan van de verzoekende instelling of lidstaat/lidstaten gemotiveerd.

6. De regels voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden door de Commissie na raadpleging van de Autoriteit vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 58, lid 2. In deze regels worden in het bijzonder de volgende elementen omschreven:

a) de procedure die de Autoriteit toepast op aan haar voorgelegde verzoeken;

b) de richtsnoeren voor de wetenschappelijke beoordeling van stoffen, producten of procédés waarvoor de communautaire wetgeving voorafgaande toestemming of plaatsing op een positieve lijst verplicht stelt, in het bijzonder in gevallen waarin de communautaire wetgeving voorschrijft of toestaat dat de aanvrager hiertoe een dossier indient.

7. Het huishoudelijk reglement van de Autoriteit legt de eisen met betrekking tot de vorm, de toelichting en de bekendmaking van een wetenschappelijk advies vast.

Artikel 30

Uiteenlopende wetenschappelijke adviezen

1. De Autoriteit betracht de nodige waakzaamheid om iedere mogelijke bron van verschillen tussen haar wetenschappelijke adviezen en de door andere, met soortgelijke taken belaste instanties uitgebrachte wetenschappelijke adviezen vroegtijdig te onderkennen.

2. Indien de Autoriteit een mogelijke bron van verschillen constateert, neemt zij contact op met de betrokken instantie teneinde ervoor te zorgen dat alle relevante wetenschappelijke informatie onderling wordt uitgewisseld en teneinde mogelijke geschilpunten op wetenschappelijk vlak te onderkennen.

3. Wanneer substantiële verschillen op wetenschappelijk vlak zijn geconstateerd en de betrokken instantie een agentschap van de Gemeenschap of een van de wetenschappelijke comités van de Commissie is, zijn de Autoriteit en de betrokken instantie verplicht samen te werken teneinde de verschillen weg te nemen of een gezamenlijk document aan de Commissie voor te leggen waarin de wetenschappelijke geschilpunten worden toegelicht en de onzekerheden daaromtrent in de gegevens worden aangegeven. Dat document wordt openbaar gemaakt.

4. Wanneer substantiële verschillen op wetenschappelijk vlak zijn geconstateerd en de betrokken instantie een instantie van de lidstaat is, zijn de Autoriteit en de nationale instantie verplicht om samen te werken teneinde de verschillen weg te nemen of een gezamenlijk document op te stellen waarin de wetenschappelijke geschilpunten worden toegelicht en de onzekerheden daaromtrent in de gegevens worden aangegeven. Dat document wordt openbaar gemaakt.

Artikel 31

Wetenschappelijke en technische bijstand

1. De Commissie kan de Autoriteit verzoeken wetenschappelijke of technische bijstand te verlenen op elk gebied dat tot haar opdracht behoort. De verlening van wetenschappelijke en technische bijstand bestaat in de verrichting van wetenschappelijke of technische werkzaamheden waarbij algemeen aanvaarde wetenschappelijke of technische beginselen worden toegepast en die geen beoordeling door het wetenschappelijk comité of een wetenschappelijk panel vereisen. Hiertoe behoren met name bijstand aan de Commissie voor de opstelling en beoordeling van technische eisen alsook bijstand aan de Commissie bij de ontwikkeling van technische richtsnoeren.

2. Wanneer de Commissie de Autoriteit om wetenschappelijke of technische bijstand verzoekt, bepaalt zij in overeenstemming met de Autoriteit de termijn waarbinnen deze werkzaamheden moeten zijn voltooid.

Artikel 32

Wetenschappelijke studies

1. De Autoriteit laat de nodige wetenschappelijke studies verrichten om haar taken te kunnen vervullen en maakt daartoe gebruik van de beste onafhankelijke wetenschappelijke bronnen die beschikbaar zijn. Opdrachten tot het verrichten van zulke studies worden op open en transparante wijze gegeven. Zij tracht overlapping met de onderzoekprogramma's van de lidstaten en de Gemeenschap te vermijden en bevordert de samenwerking door middel van goede coördinatie.

2. De Autoriteit stelt het Europees Parlement, de Commissie en de lidstaten in kennis van de resultaten van haar wetenschappelijke studies.

Artikel 33

Gegevensverzameling

1. De Autoriteit zoekt, verzamelt, vergelijkt en analyseert relevante wetenschappelijke en technische gegevens op de gebieden die tot haar opdracht behoren en vat deze gegevens samen. Dit betreft in het bijzonder de verzameling van gegevens over:

a) de voedselconsumptie en de blootstelling van personen aan risico's in verband met de consumptie van voedsel;

b) de incidentie en prevalentie van biologische risico's;

c) contaminanten in levensmiddelen en diervoeders;

d) residuen.

2. Voor de toepassing van lid 1 werkt de Autoriteit nauw samen met alle organisaties die werkzaam zijn op het gebied van gegevensverzameling, met inbegrip van organisaties in kandidaat-lidstaten en derde landen, alsmede internationale instanties.

3. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de gegevens die zij verzamelen op de in de leden 1 en 2 bedoelde gebieden aan de Autoriteit beschikbaar te stellen.

4. De Autoriteit doet de lidstaten en de Commissie passende aanbevelingen waarmee de technische vergelijkbaarheid van de door haar ontvangen en geanalyseerde gegevens kan worden verbeterd, teneinde de consolidatie daarvan op communautair niveau te vergemakkelijken.

5. Binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze verordening publiceert de Commissie een repertorium van de op communautair niveau bestaande gegevensverzamelingssystemen op de gebieden die tot de opdracht van de Autoriteit behoren.

In het verslag, dat waar passend van voorstellen vergezeld gaat, wordt in het bijzonder het volgende vermeld:

a) voor elk systeem de rol die de Autoriteit dient te krijgen en de eventuele wijzigingen of verbeteringen die nodig zijn om de Autoriteit in staat te stellen in samenwerking met de lidstaten haar taken te vervullen;

b) de gebreken die verholpen dienen te worden teneinde de Autoriteit in staat te stellen relevante wetenschappelijke en technische gegevens op de tot haar opdracht behorende gebieden te verzamelen en samen te vatten.

6. De Autoriteit zendt de resultaten van haar werkzaamheden op het gebied van de gegevensverzameling aan het Europees Parlement, de Commissie en de lidstaten.

Artikel 34

Opsporen van nieuwe risico's

1. De Autoriteit stelt monitoringprocedures op voor het systematisch zoeken, verzamelen, vergelijken en analyseren van informatie en gegevens om nieuwe risico's op de tot haar opdracht behorende gebieden op te sporen.

2. Wanneer de Autoriteit over informatie beschikt op grond waarvan zij een ernstig nieuw risico vermoedt, verzoekt zij de lidstaten, de andere agentschappen van de Gemeenschap en de Commissie om nadere informatie. De lidstaten, de betrokken communautaire agentschappen en de Commissie antwoorden met spoed en verstrekken alle relevante informatie waarover zij beschikken.

3. De Autoriteit benut alle informatie die zij bij de uitvoering van haar taken ontvangt om een nieuw risico op te sporen.

4. De Autoriteit zendt de beoordeling van nieuwe risico's en de daarover verzamelde informatie aan het Europees Parlement, de Commissie en de lidstaten.

Artikel 35

Systeem voor snelle waarschuwingen

Om haar taken in verband met de gezondheids- en voedingsrisico's van levensmiddelen optimaal uit te kunnen voeren, ontvangt de Autoriteit alle berichten via het systeem voor snelle waarschuwingen. Zij analyseert de inhoud van de berichten om de Commissie en de lidstaten alle nodige informatie ten behoeve van risicoanalyse te verstrekken.

Artikel 36

Netwerken van organisaties, werkzaam op de tot de opdracht van de Autoriteit behorende gebieden

1. De Autoriteit bevordert de vorming van Europese netwerken van organisaties die werkzaam zijn op de gebieden die tot haar opdracht behoren. Deze netwerken zijn met name bedoeld ter bevordering van een wetenschappelijk samenwerkingskader door de coördinatie van activiteiten, de uitwisseling van informatie, de ontwikkeling en uitvoering van gezamenlijke projecten en de uitwisseling van expertise en de beste praktijken op de gebieden die tot de opdracht van de Autoriteit behoren.

2. De raad van bestuur stelt op voorstel van de uitvoerend directeur een lijst op van door de lidstaten aangewezen bevoegde organisaties die de Autoriteit, afzonderlijk of in netwerken, bij de uitoefening van haar opdracht kunnen bijstaan, en maakt die lijst openbaar. De Autoriteit kan bepaalde werkzaamheden aan die organisaties opdragen, in het bijzonder voorbereidende werkzaamheden voor wetenschappelijke adviezen, wetenschappelijke en technische bijstand, verzameling van gegevens en opsporing van nieuwe risico's. Sommige van deze werkzaamheden kunnen voor financiële steun in aanmerking komen.

3. De regels voor de toepassing van lid 1 en lid 2 worden, na raadpleging van de Autoriteit door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 58, lid 2. In deze regels worden in het bijzonder de criteria voor de opname van een instelling op de lijst van door de lidstaten aangewezen bevoegde organisaties, de regelingen voor geharmoniseerde kwaliteitseisen en de financiële regels voor de eventuele financiële steun vastgelegd.

4. Binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening publiceert de Commissie een repertorium van bestaande communautaire systemen op de gebieden die tot de opdracht van de Autoriteit behoren, welke de lidstaten de mogelijkheid bieden bepaalde werkzaamheden op het gebied van de wetenschappelijke beoordeling verrichten, in het bijzonder de behandeling van vergunningsdossiers. In het verslag, dat waar passend van voorstellen vergezeld gaat, worden in het bijzonder voor elk systeem de eventuele wijzigingen of verbeteringen aangegeven die nodig zijn om de Autoriteit in staat te stellen in samenwerking met de lidstaten haar taken te vervullen.

AFDELING 4

ONAFHANKELIJKHEID, TRANSPARANTIE, GEHEIMHOUDING EN MEDEDELINGEN

Artikel 37

Onafhankelijkheid

1. De leden van de raad van bestuur, de leden van het adviesforum en de uitvoerend directeur verbinden zich ertoe op onafhankelijke wijze in het openbaar belang te handelen.

Daartoe leggen zij een verbintenisverklaring af alsmede een verklaring omtrent hun belangen, waarin zij hetzij verklaren dat zij geen belangen hebben die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid, hetzij al hun directe en indirecte belangen vermelden die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid. Deze verklaringen worden jaarlijks schriftelijk afgelegd.

2. De leden van het wetenschappelijk comité en de wetenschappelijke panels verbinden zich ertoe onafhankelijk van elke invloed van buitenaf te handelen.

Daartoe leggen zij een verbintenisverklaring af alsmede een verklaring omtrent hun belangen, waarin zij hetzij verklaren dat zij geen belangen hebben die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid, hetzij al hun directe en indirecte belangen vermelden die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid. Deze verklaringen worden jaarlijks schriftelijk afgelegd.

3. De leden van de raad van bestuur, de uitvoerend directeur, de leden van het adviesforum, de leden van het wetenschappelijk comité en de wetenschappelijke panels, alsmede de externe deskundigen die aan de werkgroepen hiervan deelnemen, maken op elke vergadering de belangen kenbaar die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid in verband met de op de agenda staande onderwerpen.

Artikel 38

Transparantie

1. De Autoriteit zorgt ervoor haar werkzaamheden met een hoge mate van transparantie te verrichten. Zij maakt met name het volgende onverwijld openbaar:

a) de agenda's en notulen van het wetenschappelijk comité en de wetenschappelijke panels;

b) de adviezen van het wetenschappelijk comité en de wetenschappelijke panels, terstond na de goedkeuring ervan, waarbij de minderheidsstandpunten altijd worden vermeld;

c) onverminderd de artikelen 39 en 41, de informatie waarop haar adviezen gebaseerd zijn;

d) de jaarlijkse verklaringen omtrent de belangen van de leden van de raad van bestuur, de uitvoerend directeur, de leden van het adviesforum en de leden van het wetenschappelijk comité en de wetenschappelijke panels, alsmede de verklaringen omtrent hun belangen in verband met agendapunten van de vergaderingen;

e) de resultaten van haar wetenschappelijke studies;

f) het jaarlijkse verslag over haar werkzaamheden;

g) verzoeken van het Europees Parlement, de Commissie of een lidstaat om wetenschappelijke adviezen, die geweigerd of gewijzigd zijn, alsook de motiveringen voor de weigering of wijziging.

2. De raad van bestuur houdt zijn vergaderingen in het openbaar, tenzij op voorstel van de uitvoerend directeur anders wordt besloten voor specifieke administratieve punten van zijn agenda, en kan vertegenwoordigers van consumenten of andere belanghebbenden toestaan om sommige werkzaamheden van de Autoriteit als waarnemer bij te wonen.

3. De Autoriteit legt in haar huishoudelijk reglement de praktische regelingen voor de uitvoering van de in de leden 1 en 2 bedoelde transparantiebepalingen vast.

Artikel 39

Geheimhouding

1. In afwijking van artikel 38 maakt de Autoriteit vertrouwelijke informatie die zij ontvangt met een met redenen omkleed verzoek om die informatie als vertrouwelijk te behandelen, niet aan derden bekend, tenzij het gaat om informatie die ter bescherming van de volksgezondheid openbaar gemaakt moet worden als de omstandigheden dat vereisen.

2. De leden van de raad van bestuur, de uitvoerend directeur, de leden van het wetenschappelijk comité en de wetenschappelijke panels en de externe deskundigen die aan de werkgroepen daarvan deelnemen, de leden van het adviesforum en het personeel van de Autoriteit zijn ook na beëindiging van hun functie onderworpen aan de geheimhoudingsplicht van artikel 287 van het Verdrag.

3. De conclusies van de door de Autoriteit uitgebrachte wetenschappelijke adviezen met betrekking tot de te verwachten gezondheidseffecten worden in geen geval geheimgehouden.

4. De Autoriteit legt in haar huishoudelijk reglement de praktische regelingen voor de uitvoering van de in de leden 1 en 2 bedoelde geheimhoudingsregels vast.

Artikel 40

Mededelingen van de Autoriteit

1. De Autoriteit doet op eigen initiatief mededelingen op de gebieden die tot haar opdracht behoren, onverminderd de bevoegdheid van de Commissie om haar risicomanagementbeslissingen bekend te maken.

2. De Autoriteit zorgt ervoor dat het publiek en alle belanghebbenden snel van objectieve, betrouwbare en gemakkelijk toegankelijke informatie worden voorzien, in het bijzonder met betrekking tot de resultaten van haar werkzaamheden. Om deze doelstellingen te bereiken stelt de Autoriteit informatiemateriaal voor het grote publiek samen en verspreidt zij dit.

3. De Autoriteit handelt in nauwe samenwerking met de Commissie en de lidstaten om de nodige samenhang in het risicocommunicatieproces te bevorderen.

De autoriteit maakt alle adviezen die zij heeft uitgebracht overeenkomstig artikel 38 openbaar.

4. De Autoriteit zorgt voor goede samenwerking met de bevoegde instanties in de lidstaten en met andere belanghebbenden met betrekking tot publieksvoorlichtingscampagnes.

Artikel 41

Toegang tot documenten

1. De Autoriteit zorgt ervoor dat de documenten waarover zij beschikt ruim toegankelijk zijn.

2. De raad van bestuur stelt op voorstel van de uitvoerend directeur de bepalingen vast die van toepassing zijn op de toegang tot de in lid 1 bedoelde documenten, met volledige inachtneming van de algemene beginselen en voorwaarden inzake het recht op toegang tot de documenten van de Gemeenschapsinstellingen.

Artikel 42

Consumenten, producenten en andere belangengroepen

De Autoriteit legt efficiënte contacten met de vertegenwoordigers van consumenten, producenten en verwerkers en alle andere belangengroepen.

AFDELING 5

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 43

Vaststelling van de begroting van de Autoriteit

1. De ontvangsten van de Autoriteit bestaan uit een bijdrage van de Gemeenschap en van elke andere staat waarmee de Gemeenschap overeenkomsten heeft gesloten als bedoeld in artikel 49, alsmede heffingen voor publicaties, conferenties, opleidingen en eventuele andere soortgelijke activiteiten waarin de Autoriteit voorziet.

2. De uitgaven van de Autoriteit omvatten personeelsuitgaven, administratieve uitgaven, infrastructuuruitgaven en beleidsuitgaven, alsmede uitgaven die voortvloeien uit met derden gesloten overeenkomsten of uit financiële steunverlening als bedoeld in artikel 36.

3. De uitvoerend directeur stelt jaarlijks tijdig vóór de in lid 5 genoemde datum een raming op van de ontvangsten en uitgaven van de Autoriteit voor het volgende begrotingsjaar en zendt die, tezamen met een overzicht van de voorlopige personeelsformatie, aan de raad van bestuur.

4. De ontvangsten en uitgaven zijn in evenwicht.

5. De raad van bestuur stelt jaarlijks uiterlijk 31 maart de ontwerp-raming vast met inbegrip van de voorlopige personeelsformatie en het voorlopige werkprogramma en zendt die naar de Commissie en naar de staten waarmee de Gemeenschap overeenkomsten gesloten heeft als bedoeld in artikel 49. De Commissie neemt op basis daarvan de desbetreffende ramingen op in het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie, dat zij overeenkomstig artikel 272 van het Verdrag aan de Raad voorlegt.

6. Na de vaststelling van de algemene begroting van de Europese Unie door de begrotingsautoriteit stelt de raad van bestuur de definitieve begroting en het definitieve werkprogramma van de Autoriteit vast, waarbij hij deze zo nodig aan de bijdrage van de Gemeenschap aanpast. Hij zendt die begroting en dat werkprogramma onverwijld toe aan de Commissie en de begrotingsautoriteit.

Artikel 44

Uitvoering van de begroting van de Autoriteit

1. De uitvoerend directeur voert de begroting van de Autoriteit uit.

2. De controle op het aangaan van betalingsverplichtingen en alle betalingen, alsmede op de vaststelling en inning van alle ontvangsten van de Autoriteit geschiedt door de financieel controleur van de Commissie.

3. De uitvoerend directeur doet jaarlijks uiterlijk op 31 maart de Commissie, de raad van bestuur en de Rekenkamer de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven betreffende het afgelopen begrotingsjaar toekomen.

De Rekenkamer onderzoekt deze rekeningen overeenkomstig artikel 248 van het Verdrag. Zij brengt elk jaar een verslag over de werkzaamheden van de Autoriteit uit.

4. Het Europees Parlement verleent de uitvoerend directeur van de Autoriteit op aanbeveling van de Raad kwijting voor de uitvoering van de begroting.

Artikel 45

Door de Autoriteit ontvangen vergoedingen

Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening brengt de Commissie, na raadpleging van de Autoriteit, de lidstaten en de belanghebbenden, een verslag uit over de mogelijkheid en wenselijkheid van indiening in het kader van de medebeslissingsprocedure en overeenkomstig het Verdrag van een wetgevingsvoorstel voor andere door de Autoriteit verleende diensten.

AFDELING 6

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 46

Rechtspersoonlijkheid en voorrechten

1. De Autoriteit heeft rechtspersoonlijkheid. Zij beschikt in alle lidstaten over de ruimste bevoegdheden waarin de wetgeving inzake rechtspersonen voorziet. Zij kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen en vervreemden, en in rechte optreden.

2. Het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen is op de Autoriteit van toepassing.

Artikel 47

Aansprakelijkheid

1. De contractuele aansprakelijkheid van de Autoriteit wordt beheerst door het op het betrokken contract van toepassing zijnde recht. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is bevoegd uitspraak te doen wanneer een door de Autoriteit gesloten overeenkomst een arbitragebeding bevat.

2. In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt de Autoriteit, overeenkomstig de algemene beginselen die de wetgevingen van de lidstaten gemeen hebben, alle schade die door de Autoriteit zelf of haar personeelsleden in de uitoefening van hun functie is veroorzaakt. Het Hof van Justitie is bevoegd ter zake van alle in dit verband gerezen geschillen over schadevergoeding.

3. De persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden van de Autoriteit ten aanzien van de Autoriteit wordt geregeld door de desbetreffende voor het personeel van de Autoriteit geldende bepalingen.

Artikel 48

Personeel

1. Het personeel van de Autoriteit is onderworpen aan de verordeningen en regelingen die van toepassing zijn op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.

2. De Autoriteit oefent ten aanzien van haar personeel de bevoegdheden uit die aan het tot aanstelling bevoegde gezag zijn verleend.

Artikel 49

Deelname van derde landen

De Autoriteit staat open voor deelname van landen die met de Europese Gemeenschap overeenkomsten gesloten hebben uit hoofde waarvan zij de communautaire wetgeving op het onder deze verordening vallende gebied hebben overgenomen en toepassen.

Krachtens de desbetreffende bepalingen van die overeenkomsten worden regelingen getroffen waarin met name de aard, omvang en wijze van de deelname van deze landen aan de werkzaamheden van de Autoriteit worden vastgesteld, met inbegrip van bepalingen betreffende deelneming aan de door de Autoriteit beheerde netwerken, plaatsing op de lijst van bevoegde organisaties waaraan de Autoriteit bepaalde werkzaamheden kan opdragen, de financiële bijdragen en het personeel.

HOOFDSTUK IV

SYSTEEM VOOR SNELLE WAARSCHUWINGEN, CRISISMANAGEMENT EN NOODSITUATIES

AFDELING 1

SYSTEEM VOOR SNELLE WAARSCHUWINGEN

Artikel 50

Systeem voor snelle waarschuwingen

1. Hierbij wordt een systeem voor snelle waarschuwingen in de vorm van een netwerk ingesteld, voor kennisgevingen van het bestaan van een direct of indirect risico voor de gezondheid van de mens, verband houdend met een levensmiddel of diervoeder. Dit systeem omvat de lidstaten, de Commissie en de Autoriteit. De lidstaten, de Commissie en de Autoriteit wijzen elk een contactpunt aan, dat deel uitmaakt van het netwerk. De verantwoordelijkheid voor het beheer van het netwerk berust bij de Commissie.

2. Wanneer een lid van het netwerk beschikt over informatie betreffende het bestaan van een ernstig direct of indirect risico voor de gezondheid van de mens, verband houdend met een levensmiddel of diervoeder, wordt deze informatie via het systeem voor snelle waarschuwingen onverwijld ter kennis van de Commissie gebracht. De Commissie geeft deze informatie onmiddellijk door aan de leden van het netwerk.

De Autoriteit kan deze kennisgeving aanvullen met alle wetenschappelijke en technische informatie die het ondernemen van snelle, passende risicomanagementactie door de lidstaten vergemakkelijkt.

3. Onverminderd andere communautaire wetgeving stellen de lidstaten de Commissie door middel van het systeem voor snelle waarschuwingen onverwijld in kennis van:

a) elke door hen vastgestelde maatregel waarbij het in de handel brengen van een product wordt beperkt of waarbij het uit de handel nemen of het terugroepen van levensmiddelen of diervoeders wordt voorgeschreven met het oog op de bescherming van de gezondheid van de mens waarvoor snelle actie vereist is;

b) elke aanbeveling aan of overeenkomst met het bedrijfsleven die erop gericht is op vrijwillige of verplichte basis het in de handel brengen of het uiteindelijke gebruik van levensmiddelen of diervoeders te voorkomen, te beperken of aan specifieke voorwaarden te onderwerpen in verband met een ernstig risico voor de gezondheid van de mens waarvoor snelle actie vereist is;

c) elke door een direct of indirect risico voor de gezondheid van de mens ingegeven afkeuring van een partij, container of lading levensmiddelen of diervoeders door een bevoegde autoriteit aan een grenspost in de Europese Unie.

De kennisgeving gaat vergezeld van een uitvoerige uiteenzetting van de redenen waarom de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die de kennisgeving heeft verzonden, de maatregelen hebben genomen. De kennisgeving wordt te zijner tijd gevolgd door aanvullende informatie, met name ingeval de maatregelen waarop de kennisgeving berust worden gewijzigd of ingetrokken.

De Commissie zendt de uit hoofde van de eerste en de tweede alinea ontvangen kennisgeving en aanvullende informatie onverwijld door naar de leden van het netwerk.

Wanneer een partij, container of lading door een bevoegde autoriteit aan een grenspost in de Europese Unie wordt afgekeurd, stelt de Commissie alle grensposten in de Europese Unie alsmede het derde land van oorsprong hiervan onverwijld in kennis.

4. Wanneer een levensmiddel of diervoeder waarover een kennisgeving via het systeem voor snelle waarschuwingen is gestuurd, naar een derde land is verzonden, verstrekt de Commissie dat land de nodige informatie.

5. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de actie die zij hebben ondernomen of de maatregelen die zij hebben getroffen naar aanleiding van de via het systeem voor snelle waarschuwingen ontvangen kennisgevingen en aanvullende informatie. De Commissie geeft deze informatie onmiddellijk door aan de leden van het netwerk.

6. Het informatiesysteem voor snelle waarschuwingen kan worden opengesteld voor kandidaat-lidstaten, derde landen en internationale organisaties, op grond van overeenkomsten tussen de Gemeenschap en die landen of organisaties, overeenkomstig de daarin vastgestelde procedures. Die procedures zijn gebaseerd op wederkerigheid en omvatten gelijkwaardige maatregelen inzake de vertrouwelijkheid als in de Gemeenschap gelden.

Artikel 51

Uitvoeringsmaatregelen

De uitvoeringsmaatregelen voor artikel 50 worden na met de Autoriteit te zijn besproken volgens de procedure van artikel 58, lid 2, door de Commissie vastgesteld. Die maatregelen omvatten met name de specifieke voorwaarden en procedures voor de doorgifte van kennisgevingen en aanvullende informatie.

Artikel 52

Geheimhoudingsregels voor het systeem voor snelle waarschuwingen

1. De informatie waarover de leden van het netwerk beschikken met betrekking tot risico's voor de gezondheid van de mens als gevolg van levensmiddelen en diervoeders is in de regel beschikbaar voor het publiek overeenkomstig het informatiebeginsel van artikel 10. Het publiek heeft in de regel toegang tot informatie over de identificatie van het product, de aard van het risico en de genomen maatregel.

De leden van het netwerk treffen evenwel de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat hun personeelsleden de voor de doeleinden van deze afdeling verkregen informatie die in naar behoren gemotiveerde gevallen gezien de aard ervan onder het beroepsgeheim valt, niet openbaar maken, behalve indien het gaat om informatie die, als de omstandigheden dat vereisen, openbaar moet worden gemaakt ter bescherming van de gezondheid van de mens.

2. De bescherming van het beroepsgeheim mag niet beletten dat informatie die relevant is voor de doeltreffendheid van het markttoezicht en de handhavingactiviteiten op het gebied van levensmiddelen en diervoeders aan de bevoegde autoriteiten wordt doorgegeven. De autoriteiten die informatie ontvangen die onder het beroepsgeheim valt, dragen zorg voor de bescherming daarvan overeenkomstig lid 1.

AFDELING 2

NOODSITUATIES

Artikel 53

Noodmaatregelen betreffende uit de Gemeenschap afkomstige of uit een derde land ingevoerde levensmiddelen en diervoeders

1. Wanneer blijkt dat een levensmiddel of diervoeder, van oorsprong uit de Gemeenschap of ingevoerd uit een derde land, waarschijnlijk een ernstig risico voor de gezondheid van mens, dier of milieu inhoudt en dat het risico niet op afdoende wijze kan worden beheerst met de door de betrokken lidstaten getroffen maatregelen, treft de Commissie volgens de procedure van artikel 58, lid 2, op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat, onverwijld een of meer van de volgende maatregelen, al naar gelang de ernst van de situatie:

a) in geval van levensmiddelen of diervoeders van oorsprong uit de Gemeenschap:

i) opschorting van het in de handel brengen of het gebruik van het betrokken levensmiddel;

ii) opschorting van het in de handel brengen of het gebruik van het betrokken diervoeder;

iii) vaststelling van bijzondere voorwaarden voor het betrokken levensmiddel of diervoeder;

iv) elke andere passende tijdelijke maatregel;

b) in geval van uit een derde land ingevoerde levensmiddelen of diervoeders:

i) opschorting van de invoer van het betrokken levensmiddel of diervoeder uit het desbetreffende derde land of uit een deel daarvan, en, waar van toepassing, uit het derde land van doorvoer;

ii) vaststelling van bijzondere voorwaarden voor het betrokken levensmiddel of diervoeder uit het betrokken derde land of een deel daarvan;

iii) elke andere passende tijdelijke maatregel.

2. In dringende gevallen kan de Commissie evenwel de in lid 1 genoemde maatregelen voorlopig aannemen, na de betrokken lidstaat of lidstaten te hebben geraadpleegd en de overige lidstaten daarvan in kennis te hebben gesteld.

De genomen maatregelen worden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien werkdagen, volgens de procedure van artikel 58, lid 2, bevestigd, gewijzigd, ingetrokken of verlengd. De redenen voor het besluit van de Commissie worden onverwijld openbaar gemaakt.

Artikel 54

Andere noodmaatregelen

1. Wanneer een lidstaat de Commissie officieel in kennis stelt van de noodzaak om spoedmaatregelen te nemen en de Commissie niet heeft gehandeld conform artikel 53, kan de lidstaat tijdelijke beschermende maatregelen vaststellen. In dat geval stelt hij de overige lidstaten en de Commissie onverwijld daarvan in kennis.

2. De Commissie legt de aangelegenheid binnen tien werkdagen volgens de procedure van artikel 58, lid 2,voor aan het bij artikel 58, lid 1, ingestelde comité met het oog op de verlenging, wijziging of intrekking van de tijdelijke beschermende maatregelen.

3. De lidstaat mag zijn nationale tijdelijke beschermende maatregelen handhaven totdat de communautaire maatregelen zijn vastgesteld.

AFDELING 3

CRISISMANAGEMENT

Artikel 55

Algemeen plan voor crisismanagement

1. De Commissie stelt in nauwe samenwerking met de Autoriteit en met de lidstaten een algemeen plan voor crisismanagement op het gebied van de veiligheid van levensmiddelen en diervoeders op, hierna "algemeen plan" te noemen.

2. In het algemene plan worden de soorten situaties vastgelegd waarin directe of indirecte risico's voor de gezondheid van de mens als gevolg van levensmiddelen of diervoeders optreden die waarschijnlijk niet met behulp van de bestaande voorzieningen voorkomen, weggenomen of tot een aanvaardbaar niveau teruggebracht kunnen worden of die met toepassing van de artikelen 53 en 54 alleen niet op toereikende wijze kunnen worden beheerst.

In het algemene plan worden tevens de praktische procedures voor het managen van een crisis vastgelegd, met inbegrip van de te hanteren transparantiebeginselen en een communicatiestrategie.

Artikel 56

Crisiseenheid

1. Onverminderd haar taak de toepassing van het Gemeenschapsrecht te waarborgen stelt de Commissie, wanneer zij een situatie constateert waarin een ernstig direct of indirect risico voor de gezondheid van de mens als gevolg van levensmiddelen of diervoeders optreedt en dat risico niet met behulp van de bestaande voorzieningen voorkomen, weggenomen of beperkt kan worden of met toepassing van de artikelen 53 en 54 alleen niet op toereikende wijze kan worden beheerst, de lidstaten en de Autoriteit onverwijld in kennis.

2. De Commissie richt onverwijld een crisiseenheid op, waarvan de Autoriteit deel uitmaakt en waarin zij zo nodig wetenschappelijke en technische bijstand biedt.

Artikel 57

Taken van de crisiseenheid

1. De crisiseenheid is belast met de verzameling en beoordeling van alle relevante informatie en het onderzoeken van de mogelijkheden om het risico voor de gezondheid van de mens zo doeltreffend en snel mogelijk te voorkomen, weg te nemen of tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen.

2. De crisiseenheid kan de hulp inroepen van alle natuurlijke of rechtspersonen wier expertise zij nodig acht om de crisis doeltreffend te beheersen.

3. De crisiseenheid informeert het publiek over de betrokken risico's en de getroffen maatregelen.

HOOFDSTUK V

PROCEDURES EN SLOTBEPALINGEN

AFDELING 1

COMITÉPROCEDURE EN BEMIDDELINGSPROCEDURE

Artikel 58

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door een Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, hierna "het comité" te noemen, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie. Het comité wordt onderverdeeld in afdelingen voor het behandelen van alle betrokken kwesties.

2. In de gevallen waarin naar dit artikel wordt verwezen, is de procedure van artikel 5 van Besluit 1999/468/EG met inachtneming van artikel 7 en artikel 8 van dat besluit van toepassing.

3. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt op drie maanden bepaald.

Artikel 59

Taken van het comité

Het comité vervult de bij deze verordening en bij andere relevante communautaire bepalingen aan het comité opgedragen taken, in de gevallen en onder de voorwaarden die in die bepalingen zijn vastgelegd. Voorts kan het op initiatief van de voorzitter of op schriftelijk verzoek van een van de leden elk onderwerp bestuderen dat onder die bepalingen valt.

Artikel 60

Bemiddelingsprocedure

1. Onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen legt een lidstaat, indien hij van mening is dat een door een andere lidstaat genomen maatregel op het gebied van de voedselveiligheid hetzij onverenigbaar is met deze verordening, hetzij van invloed kan zijn op de werking van de interne markt, de zaak voor aan de Commissie, die de andere betrokken lidstaat hiervan onverwijld in kennis stelt.

2. De twee betrokken lidstaten en de Commissie stellen alles in het werk om het probleem op te lossen. Als geen overeenstemming kan worden bereikt, kan de Commissie de Autoriteit verzoeken advies over een wetenschappelijk geschilpunt uit te brengen. De termen van het verzoek en de termijn waarbinnen de Autoriteit advies dient uit te brengen worden in onderling overleg door de Commissie en de Autoriteit vastgesteld, na raadpleging van de twee betrokken lidstaten.

AFDELING 2

SLOTBEPALINGEN

Artikel 61

Herzieningsclausule

1. Vóór 1 januari 2005 en vervolgens om de zes jaar geeft de Autoriteit in samenwerking met de Commissie opdracht tot een onafhankelijke externe evaluatie van haar functioneren op basis van de door de raad van bestuur in overeenstemming met de Commissie vastgestelde richtsnoeren. De evaluatie betreft de werkwijze van de Autoriteit en de resultaten die zij bereikt. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met de opvattingen van de belanghebbenden op zowel communautair als nationaal niveau.

De raad van bestuur van de Autoriteit bestudeert de conclusies van de evaluatie en doet de Commissie in voorkomend geval aanbevelingen voor veranderingen in de Autoriteit en haar werkmethoden. De evaluatie en de aanbevelingen worden openbaar gemaakt.

2. Vóór 1 januari 2005 brengt de Commissie een verslag uit over de met de uitvoering van de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk IV opgedane ervaring.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde verslagen en aanbevelingen worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 62

Verwijzingen naar de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid

1. Alle verwijzingen in de communautaire wetgeving naar het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding, het Wetenschappelijk Comité voor de diervoeding, het Wetenschappelijk Veterinair Comité, het Wetenschappelijk Comité voor bestrijdingsmiddelen, het Wetenschappelijk Comité voor planten en de wetenschappelijke stuurgroep worden vervangen door verwijzingen naar de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid.

2. Alle verwijzingen in de communautaire wetgeving naar het Permanent Comité voor levensmiddelen, het Permanent Comité voor veevoeder en het Permanent Veterinair Comité worden vervangen door verwijzingen naar het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid.

Alle verwijzingen naar het Permanent Plantenziektekundig Comité in de communautaire wetgeving gebaseerd op, alsmede in de Richtlijnen 76/895/EEG, 86/362/EEG, 86/363/EEG, 90/642/EEG en 91/414/EEG aangaande gewasbeschermingsmiddelen en het bepalen van maximumresidugehalten worden vervangen door een verwijzing naar het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid.

3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 wordt onder communautaire wetgeving verstaan alle verordeningen, richtlijnen, beschikkingen en besluiten van de Gemeenschap.

4. De Besluiten 68/361/EEG, 69/414/EEG en 70/372/EEG worden ingetrokken.

Artikel 63

Bevoegdheden van het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling

Deze verordening laat de bevoegdheden van het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling uit hoofde van Verordening (EEG) nr. 2309/93, Verordening (EEG) nr. 2377/90, Richtlijn 75/319/EEG van de Raad(27) en Richtlijn 81/851/EEG van de Raad(28) onverlet.

Artikel 64

Aanvang van de werkzaamheden van de Autoriteit

De Autoriteit vangt haar werkzaamheden aan op 1 januari 2002.

Artikel 65

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

De artikelen 11, 12 en 14 tot en met 20 zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2005.

De artikelen 29, 56, 57, 60 en 62, lid 1, zijn van toepassing met ingang van de datum waarop de leden van het wetenschappelijk comité en de wetenschappelijke panels benoemd worden. De datum zal bekendgemaakt worden in de C-reeks van het Publicatieblad.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 januari 2002.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

P. Cox

Voor de Raad

De voorzitter

J. Piqué i Camps

(1) PB C 96 E van 27.3.2001, blz. 247.

(2) PB C 155 van 29.5.2001, blz. 32.

(3) Advies uitgebracht op 14 juni 2001 (nog niet verschenen in het Publicatieblad)

(4) Advies uitgebracht door het Europees Parlement op 12 juni 2001 (nog niet verschenen in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 17 september 2001 (nog niet verschenen in het Publicatieblad), beschikking van het Europees Parlement van 11 december 2001 (nog niet verschenen in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 21 januari 2002.

(5) PB L 229 van 30.8.1980, blz. 11. Richtlijn ingetrokken bij Richtlijn 98/83/EG.

(6) PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32.

(7) Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1).

(8) PB L 228 van 11.8.1992, blz. 24.

(9) PB L 371 van 30.12.1987, blz. 76.

(10) PB L 255 van 18.10.1968, blz. 23.

(11) PB L 291 van 19.11.1969, blz. 9.

(12) PB L 170 van 3.8.1970, blz. 1.

(13) PB L 340 van 9.12.1976, blz. 26. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/57/EG van de Commissie (PB L 244 van 29.9.2000, blz. 76).

(14) PB L 221 van 7.8.1986, blz. 37. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/57/EG van de Commissie (PB L 208 van 1.8.2001, blz. 36).

(15) PB L 221 van 7.8.1986, blz. 43. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/57/EG van de Commissie.

(16) PB L 350 van 14.12.1990, blz. 71. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/57/EG van de Commissie.

(17) PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/49/EG van de Commissie (PB L 176 van 29.6.2001, blz. 61).

(18) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(19) PB L 214 van 24.8.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 649/98 van de Commissie (PB L 88 van 24.3.1998, blz. 7).

(20) PB L 224 van 18.8.1990, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1553/2001 (PB L 205 van 31.7.2001, blz. 16).

(21) PB 22 van 9.2.1965, blz. 369. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 93/39/EEG (PB L 214 van 24.8.1993, blz. 22).

(22) PB L 297 van 13.10.1992, blz. 8.

(23) PB L 262 van 27.9.1976, blz. 169. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/41/EG van de Commissie (PB L 145 van 20.6.2000, blz. 25).

(24) PB L 359 van 8.12.1989, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/41/EEG (PB L 158 van 11.6.1992, blz. 30).

(25) PB L 210 van 7.8.1985, blz. 29. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/34/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 141 van 4.6.1999, blz. 20).

(26) PB L 356 van 31.12.1977, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, EGKS, Euratom) nr. 762/2001 (PB L 111 van 20.4.2001, blz. 1).

(27) PB L 147 van 9.6.1975, blz. 13. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).

(28) PB L 317 van 6.11.1981, blz. 1.Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1).