Home

Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000

Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000

Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000

Publicatieblad Nr. L 338 van 23/12/2003 blz. 0001 - 0029


Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad

van 27 november 2003

betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 61, onder c), en artikel 67, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Europees Parlement(2),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De Europese Gemeenschap heeft zich tot doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is. Te dien einde moet de Gemeenschap met name de maatregelen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken aannemen, die nodig zijn voor de goede werking van de interne markt.

(2) De Europese Raad van Tampere heeft bevestigd dat het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen de hoeksteen voor de totstandbrenging van een werkelijke justitiële ruimte vormt, en heeft het omgangsrecht aangemerkt als een prioriteit.

(3) Verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000(4) voorziet in regels betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en van naar aanleiding van procedures in huwelijkszaken gegeven beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor de gemeenschappelijke kinderen van de echtgenoten. De inhoud van deze verordening werd grotendeels overgenomen uit de overeenkomst van 28 mei 1998 met hetzelfde onderwerp(5).

(4) Op 3 juli 2000 heeft Frankrijk een initiatief met het oog op de aanneming van een verordening van de Raad inzake de wederzijdse tenuitvoerlegging van beslissingen betreffende het omgangsrecht ingediend(6).

(5) Teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen is deze verordening van toepassing op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief maatregelen ter bescherming van het kind, los van ieder verband met een procedure in huwelijkszaken.

(6) Aangezien de toepassing van de regels betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid vaak in het kader van procedures in huwelijkszaken aan de orde komt, verdient het de voorkeur over één enkel rechtsinstrument te beschikken voor zowel de echtscheiding als de ouderlijke verantwoordelijkheid.

(7) Binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen, ongeacht de aard van de rechterlijke instantie, burgerlijke zaken.

(8) Wat betreft beslissingen betreffende echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, mag deze verordening uitsluitend van toepassing zijn op de ontbinding van de huwelijksband, met terzijdestelling van kwesties zoals de echtscheidingsgronden, de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk of andere bijkomende maatregelen.

(9) Wat betreft het vermogen van het kind dient deze verordening uitsluitend van toepassing te zijn op de maatregelen ter bescherming van het kind, dat wil zeggen i) op de aanwijzing en de taken van personen of lichamen belast met het beheer van het vermogen van het kind of die het kind vertegenwoordigen of bijstaan, en ii) op maatregelen betreffende het beheer, de instandhouding van of de beschikking over het vermogen van het kind. In dit verband dient deze verordening bijvoorbeeld van toepassing te zijn in gevallen waarin de ouders een geschil hebben over het beheer van het vermogen van het kind. Maatregelen inzake het vermogen van het kind die niet de bescherming van het kind betreffen moeten ook in de toekomst geregeld blijven door Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(7).

(10) Het is niet de bedoeling dat deze verordening toepasselijk is op aangelegenheden zoals sociale zekerheid, publiekrechtelijke maatregelen van algemene aard inzake onderwijs en gezondheid, noch op beslissingen inzake het asielrecht en immigratie. Voorts is zij niet van toepassing op de vaststelling van familierechtelijke betrekkingen, die onderscheiden moet worden van de toekenning van ouderlijke verantwoordelijkheid, noch op de andere aangelegenheden die verband houden met de staat van personen. Zij is evenmin van toepassing op maatregelen genomen ten gevolge van door kinderen begane strafbare feiten.

(11) Onderhoudsverplichtingen zijn van de werkingssfeer van onderhavige verordening uitgesloten, omdat zij reeds door Verordening (EG) nr. 44/2001 worden geregeld. De gerechten die uit hoofde van onderhavige verordening bevoegd zijn, zullen over het algemeen bevoegd zijn om uitspraak te doen inzake onderhoudsverplichtingen, krachtens artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 44/2001.

(12) De in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid. Dit betekent dat de bevoegdheid in de eerste plaats bij de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind moet berusten, behalve in bepaalde gevallen waarin het kind van verblijfplaats is veranderd of wanneer er een overeenkomst bestaat tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.

(13) In het belang van het kind biedt de onderhavige verordening het bevoegde gerecht de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen en onder bepaalde voorwaarden de zaak naar het gerecht van een andere lidstaat te verwijzen indien dat gerecht beter in staat is om de zaak te behandelen. In dat geval dient het gerecht waarbij de zaak aldus aanhangig is gemaakt, evenwel niet te worden toegestaan de zaak naar nog een ander gerecht te verwijzen.

(14) De toepassing van de onderhavige verordening dient de toepassing van het internationaal publiekrecht inzake diplomatieke immuniteiten onverlet te laten. Indien het uit hoofde van onderhavige verordening bevoegd gerecht zijn bevoegdheid niet kan uitoefenen wegens het bestaan van diplomatieke immuniteit overeenkomstig het internationale recht, dient de bevoegdheid te worden bepaald in de lidstaat waar de betrokkene geen enkele immuniteit geniet, overeenkomstig de wet van deze lidstaat.

(15) Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken(8) dient van toepassing te zijn op de betekening en kennisgeving van stukken in overeenkomstig deze verordening ingestelde procedures.

(16) Deze verordening mag er niet aan in de weg staan dat de gerechten van een lidstaat in spoedeisende gevallen voorlopige of beschermende maatregelen nemen met betrekking tot personen of vermogensbestanddelen die zich in die staat bevinden.

(17) In geval van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind dient de terugkeer van het kind onverwijld te worden verkregen en te dien einde dient het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 van toepassing te blijven, zoals aangevuld door de bepalingen van deze verordening, in het bijzonder artikel 11. De gerechten van de lidstaat waarnaar het kind ongeoorloofd is overgebracht of waar het ongeoorloofd wordt vastgehouden, dienen in staat te zijn zich in welbepaalde, naar behoren gemotiveerde gevallen tegen de terugkeer van het kind te verzetten. Een dergelijke beslissing moet evenwel kunnen worden vervangen door een latere beslissing van het gerecht van de lidstaat waar het kind vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had. Brengt deze laatste beslissing de terugkeer van het kind met zich, dan dient de terugkeer plaats te vinden zonder dat enigerlei bijzondere procedure vereist is voor de erkenning en tenuitvoerlegging van die beslissing in de lidstaat waar het ontvoerde kind zich bevindt.

(18) Indien krachtens artikel 13 van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 een beslissing houdende de niet-terugkeer is gegeven, dient het gerecht dit te melden aan het bevoegde gerecht of de centrale autoriteit van de lidstaat waar het kind vóór zijn ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had. Tenzij de zaak reeds bij hem aanhangig is gemaakt, dient dit gerecht of de centrale autoriteit een oproep te richten aan de partijen. Deze verplichting dient voor de centrale autoriteit van de lidstaat geen beletsel te vormen om ook een oproep te richten aan de betrokken overheidsinstanties, zulks in overeenstemming met het nationale recht.

(19) Het horen van het kind speelt een belangrijke rol in de toepassing van onderhavige verordening, zonder dat deze echter de strekking heeft de terzake geldende nationale procedures te wijzigen.

(20) Het horen van het kind in een andere lidstaat kan worden verricht in overeenstemming met de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken(9).

(21) De erkenning en de tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissingen dienen gebaseerd te zijn op het beginsel van wederzijds vertrouwen, en de gronden tot weigering van de erkenning dienen tot het noodzakelijke minimum beperkt te blijven.

(22) Authentieke akten en schikkingen tussen partijen, die in een lidstaat uitvoerbaar zijn, dienen voor de toepassing van de regels inzake de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging te worden gelijkgesteld met "beslissingen".

(23) De Europese Raad van Tampere heeft in zijn conclusies (punt 34) geoordeeld dat beslissingen in familierechtelijke procedures "automatisch in de gehele Unie moeten worden erkend, zonder enige intermediaire procedure of gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging". Daarom dienen beslissingen betreffende het omgangsrecht en beslissingen betreffende de terugkeer van een kind, die in de lidstaat van herkomst overeenkomstig de bepalingen van deze verordening zijn gecertificeerd, in alle andere lidstaten te worden erkend en zijn ze er uitvoerbaar zonder dat daartoe enigerlei andere procedure vereist is. De bepalingen in verband met de tenuitvoerlegging van deze beslissingen blijven onder het nationale recht vallen.

(24) Tegen het certificaat dat met het oog op een vereenvoudigde tenuitvoerlegging van de beslissing wordt afgegeven, dient geen rechtsmiddel open te staan. Uitsluitend in geval van een materiële fout, dit wil zeggen wanneer het certificaat de inhoud van de beslissing niet correct weergeeft, kan het aanleiding geven tot een rectificatieprocedure.

(25) De centrale autoriteiten dienen zowel algemeen als in specifieke gevallen met elkaar samen te werken, onder meer ter bevordering van de minnelijke schikking van gezinsconflicten betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid. Te dien einde moeten de centrale autoriteiten gebruikmaken van hun deelneming aan het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken, in het leven geroepen bij Beschikking 2001/470/EG van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de oprichting van een Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken(10).

(26) De Commissie dient de door de lidstaten toegezonden lijsten van terzake bevoegde rechterlijke instanties en van hogere voorzieningen openbaar te maken en bij te houden.

(27) De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(11).

(28) De onderhavige verordening komt in de plaats van Verordening (EG) nr. 1347/2000, die bijgevolg wordt ingetrokken.

(29) Met het oog op de goede werking van deze verordening onderzoekt de Commissie de toepassing ervan om in voorkomend geval de nodige wijzigingen voor te stellen.

(30) Het Verenigd Koninkrijk en Ierland hebben overeenkomstig artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gevoegd bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de wens te kennen gegeven aan de aanneming en toepassing van deze verordening deel te nemen.

(31) Denemarken neemt overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, gevoegd bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, niet deel aan de aanneming van deze verordening, zodat deze niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken is.

(32) Daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(33) Deze verordening erkent de grondrechten en is in overeenstemming met de beginselen, die zijn erkend bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder beoogt zij de grondrechten van het kind, zoals die in artikel 24 van het Handvest van grondrechten van de Europese Unie zijn erkend, ten volle te eerbiedigen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Toepassingsgebied

1. Deze verordening is, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende:

a) echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk;

b) de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid.

2. De in lid 1, onder b), bedoelde zaken hebben met name betrekking op:

a) het gezagsrecht en het omgangsrecht;

b) voogdij, curatele en overeenkomstige rechtsinstituten;

c) de aanwijzing en de taken van enige persoon of enig lichaam, belast met de zorg voor de persoon of het vermogen van het kind, of die het kind vertegenwoordigt of bijstaat;

d) de plaatsing van het kind in een pleeggezin of in een inrichting;

e) de maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer of de instandhouding van dan wel de beschikking over het vermogen van het kind.

3. Deze verordening is niet van toepassing op:

a) de vaststelling en de ontkenning van familierechtelijke betrekkingen;

b) beslissingen inzake adoptie, voorbereidende maatregelen voor adoptie, alsmede de nietigverklaring en de herroeping van de adoptie;

c) de geslachtsnaam en de voornamen van het kind;

d) de handlichting;

e) onderhoudsverplichtingen;

f) trusts en erfopvolging;

g) maatregelen genomen ten gevolge van door kinderen begane strafbare feiten.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1. "gerecht": alle autoriteiten in de lidstaten die bevoegd zijn ter zake van de aangelegenheden die overeenkomstig artikel 1 binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen;

2. "rechter": de rechter of de drager van bevoegdheden gelijkwaardig aan die van een rechter, ter zake van de aangelegenheden die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen;

3. "lidstaat": alle lidstaten met uitzondering van Denemarken;

4. "beslissing": een door een gerecht van een lidstaat uitgesproken echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, alsmede een door een gerecht van een lidstaat gegeven beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, ongeacht de benaming van die beslissing, zoals arrest, vonnis of beschikking;

5. "lidstaat van herkomst": de lidstaat waar de ten uitvoer te leggen beslissing is gegeven;

6. "lidstaat van tenuitvoerlegging": de lidstaat waar tenuitvoerlegging van de beslissing wordt gevraagd;

7. "ouderlijke verantwoordelijkheid": alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind. De term omvat onder meer het gezagsrecht en het omgangsrecht;

8. "persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt": elke persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind draagt;

9. "gezagsrecht": de rechten en verplichtingen die betrekking hebben op de zorg voor de persoon van een kind, in het bijzonder het recht de verblijfplaats van het kind te bepalen;

10. "omgangsrecht": omvat in het bijzonder het recht om een kind voor een beperkte tijd mee te nemen naar een andere plaats dan zijn gewone verblijfplaats;

11. "ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind": het overbrengen of niet doen terugkeren van een kind:

a) wanneer dit geschiedt in strijd met het gezagsrecht dat ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst is toegekend overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of niet doen terugkeren, zijn gewone verblijfplaats had;

en

b) indien dit gezagsrecht op het tijdstip van overbrenging of niet doen terugkeren, alleen of gezamenlijk, daadwerkelijk werd uitgeoefend, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden. Het gezag wordt geacht gezamenlijk te worden uitgeoefend als een van de personen die, ingevolge een beslissing of van rechtswege, de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, de verblijfplaats van het kind niet kan bepalen zonder de instemming van een andere persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt.

HOOFDSTUK II

BEVOEGDHEID

AFDELING 1

Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk

Artikel 3

Algemene bevoegdheid

1. Ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat:

a) op het grondgebied waarvan:

- de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben; of

- zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, indien een van hen daar nog verblijft; of

- de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft; of

- in geval van een gemeenschappelijk verzoek, zich de gewone verblijfplaats van een van de echtgenoten bevindt; of

- zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft; of

- zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft en hetzij onderdaan van de betrokken lidstaat is, hetzij, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, daar zijn "domicile" (woonplaats) heeft;

b) waarvan beide echtgenoten de nationaliteit bezitten of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, waar beide echtgenoten hun "domicile" (woonplaats) hebben.

2. In deze verordening heeft "woonplaats" dezelfde betekenis als volgens het recht van het Verenigd Koninkrijk of Ierland.

Artikel 4

Tegenvordering

Het gerecht waarvoor een procedure op grond van artikel 3 aanhangig is, is ook bevoegd kennis te nemen van een tegenvordering, mits deze binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt.

Artikel 5

Omzetting van scheiding van tafel en bed in echtscheiding

Onverminderd artikel 3 is het gerecht van een lidstaat dat een beslissing inzake scheiding van tafel en bed heeft gegeven, ook bevoegd om die scheiding om te zetten in echtscheiding, indien de wet van die lidstaat daarin voorziet.

Artikel 6

Exclusieve aard van de bevoegdheden op grond van de artikelen 3, 4 en 5

De echtgenoot die:

a) zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft; of

b) onderdaan van een lidstaat is of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, zijn "domicile" (woonplaats) op het grondgebied van een van die lidstaten heeft,

kan slechts op grond van de artikelen 3, 4 en 5 voor de gerechten van een andere lidstaat worden gedaagd.

Artikel 7

Residuele bevoegdheid

1. Indien geen gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 4 en 5 bevoegd is, wordt in elke lidstaat de bevoegdheid beheerst door de wetgeving van die lidstaat.

2. Tegenover een verweerder die zijn gewone verblijfplaats niet op het grondgebied van een lidstaat heeft en die hetzij niet de nationaliteit van een lidstaat bezit, hetzij, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, zijn "domicile" (woonplaats) niet op het grondgebied van een van die lidstaten heeft, kan een onderdaan van een lidstaat die zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een andere lidstaat heeft, evenals de onderdanen van die lidstaat, zich beroepen op de aldaar geldende bevoegdheidsregels.

AFDELING 2

Ouderlijke verantwoordelijkheid

Artikel 8

Algemene bevoegdheid

1. Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

2. Het bepaalde in lid 1 geldt onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12.

Artikel 9

Behoud van de bevoegdheid van de vorige gewone verblijfplaats van het kind

1. Wanneer een kind legaal van een lidstaat naar een andere lidstaat verhuist en aldaar een nieuwe gewone verblijfplaats verkrijgt, behouden de gerechten van de vorige gewone verblijfplaats van het kind, in afwijking van artikel 8, gedurende een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de verhuizing, hun bevoegdheid tot wijziging van een in die lidstaat vóór de verhuizing van het kind gegeven beslissing betreffende het omgangsrecht indien de persoon die ingevolge die beslissing het omgangsrecht heeft zijn gewone verblijfplaats behoudt in de lidstaat van de vorige gewone verblijfplaats van het kind.

2. Lid 1 is niet van toepassing indien de in lid 1 bedoelde persoon die het omgangsrecht heeft, de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van de nieuwe gewone verblijfplaats van het kind heeft aanvaard door aan een procedure voor die gerechten deel te nemen zonder de bevoegdheid ervan aan te vechten.

Artikel 10

Bevoegdheid in gevallen van kinderontvoering

In geval van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind blijven de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen en:

a) enige persoon, instelling of ander lichaam die gezagsrecht bezit, in de overbrenging of het niet doen terugkeren heeft berust;

of

b) het kind gedurende ten minste een jaar nadat de persoon, de instelling of het lichaam met gezagsrecht kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind, in die andere lidstaat heeft verbleven en in zijn nieuwe omgeving geworteld is, en aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:

i) er is bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarheen het kind is overgebracht of waar het wordt vastgehouden, geen verzoek tot terugkeer ingediend binnen een jaar nadat de persoon die gezagsrecht bezit, kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind;

ii) een door de persoon met gezagsrecht ingediend verzoek tot terugkeer is ingetrokken en binnen de onder i) gestelde termijn is geen nieuw verzoek ingediend;

iii) een voor een gerecht in de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, dienende zaak is overeenkomstig artikel 11, lid 7, gesloten verklaard;

iv) een gezagsbeslissing die niet de terugkeer van het kind met zich brengt, is uitgesproken door de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had.

Artikel 11

Terugkeer van het kind

1. Wanneer een persoon, instelling of ander lichaam met gezagsrecht bij de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een verzoek indient om op grond van het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna "het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980" genoemd) een beslissing te nemen teneinde de terugkeer te verkrijgen van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht of vastgehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, zijn de leden 2 tot en met 8 van toepassing.

2. Bij de toepassing van de artikelen 12 en 13 van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 wordt ervoor gezorgd dat het kind tijdens de procedure in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord, tenzij dit gezien zijn leeftijd of mate van rijpheid niet raadzaam wordt geacht.

3. Het gerecht waarbij een in lid 1 bedoeld verzoek om terugkeer van het kind is ingediend, beschikt met bekwame spoed, met gebruikmaking van de snelste procedures die in het nationale recht beschikbaar zijn.

Onverminderd de eerste alinea beslist het gerecht uiterlijk zes weken nadat het verzoek aanhangig is gemaakt, tenzij dit als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden onmogelijk blijkt.

4. Een gerecht kan de terugkeer van een kind niet op grond van artikel 13, onder b), van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 weigeren, wanneer vaststaat dat er adequate voorzieningen zijn getroffen om de bescherming van het kind na de terugkeer te verzekeren.

5. Een gerecht kan de terugkeer van een kind niet weigeren indien de persoon die om de terugkeer van het kind verzoekt niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord.

6. Indien een gerecht op grond van artikel 13 van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 een beslissing houdende de niet-terugkeer heeft gegeven, zendt het onmiddellijk, rechtstreeks dan wel door tussenkomst van zijn centrale autoriteit, een afschrift van het bevel en van de desbetreffende stukken, met name het zittingsverslag toe aan het bevoegde gerecht of de centrale autoriteit van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor een ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, zulks in overeenstemming met het nationale recht. Dit gerecht dient alle bedoelde stukken te ontvangen binnen een maand te rekenen vanaf de datum waarop de beslissing houdende de niet-terugkeer is gegeven.

7. Tenzij één van de partijen zich reeds heeft gewend tot de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor een ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, stelt het gerecht of de centrale autoriteit die de in lid 6 bedoelde informatie ontvangt, de partijen daarvan op de hoogte en nodigt hen uit binnen drie maanden na de oproeping overeenkomstig het nationale recht conclusies in te dienen, opdat de rechterlijke instantie de kwestie van het gezagsrecht kan onderzoeken.

Onverminderd de bevoegdheidsregels van deze verordening verklaart het gerecht de zaak gesloten indien het binnen die termijn geen conclusie heeft ontvangen.

8. Niettegenstaande een beslissing houdende de niet-terugkeer op grond van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980, is een latere beslissing die de terugkeer van het kind met zich brengt, gegeven door een gerecht dat krachtens deze verordening bevoegd is, overeenkomstig afdeling 4 van hoofdstuk III uitvoerbaar, zulks teneinde de terugkeer van het kind te verzekeren.

Artikel 12

Prorogatie van rechtsmacht

1. De gerechten van een lidstaat zijn, in de uitoefening van hun bevoegdheid op grond van artikel 5 ter zake van een verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, bevoegd voor elke met dit verzoek samenhangende kwestie inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien:

a) ten minste één van de echtgenoten de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt;

en

b) de bevoegdheid van deze gerechten uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze door de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.

2. De overeenkomstig lid 1 uitgeoefende bevoegdheid neemt een einde zodra:

a) de beslissing houdende toewijzing of afwijzing van het verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk definitief is geworden; hetzij

b) ingeval op het onder a) bedoelde tijdstip nog een procedure betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is, een beslissing in die procedure definitief is geworden; hetzij

c) de onder a) en b) bedoelde procedures om een andere reden zijn beëindigd.

3. De gerechten van een lidstaat zijn ook in andere procedures dan die welke in lid 1 worden bedoeld, bevoegd ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind, indien:

a) het kind een nauwe band met die lidstaat heeft, met name omdat een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft of omdat het kind onderdaan van die lidstaat is;

en

b) hun bevoegdheid op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard door alle partijen bij de procedure en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.

4. Indien het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een derde staat die geen verdragsluitende partij is bij het Verdrag van 's-Gravenhage van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, wordt de op het onderhavige artikel gebaseerde bevoegdheid geacht met name in het belang van het kind te zijn indien een procedure in de betrokken derde staat onmogelijk blijkt te zijn.

Artikel 13

Bevoegdheid gebaseerd op de aanwezigheid van het kind

1. Wanneer de gewone verblijfplaats van een kind niet kan worden vastgesteld en de bevoegdheid niet kan worden bepaald op grond van artikel 12, zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zich bevindt, bevoegd.

2. Lid 1 is ook van toepassing op vluchtelingenkinderen en kinderen die ten gevolge van onlusten die in hun land plaatsvinden, naar een ander land zijn overgebracht.

Artikel 14

Residuele bevoegdheid

Indien van geen enkele lidstaat een gerecht op grond van de artikelen 8 tot en met 13 bevoegd is, wordt de bevoegdheid in elke lidstaat beheerst door de wetgeving van die lidstaat.

Artikel 15

Verwijzing naar een gerecht dat beter in staat is de zaak te behandelen

1. De gerechten van een lidstaat die bevoegd zijn om ten gronde over een zaak te beslissen, kunnen bij wijze van uitzondering, indien naar hun inzicht een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft beter in staat is de zaak of een specifiek onderdeel daarvan te behandelen, in het belang van het kind:

a) de behandeling van de zaak of het betrokken onderdeel daarvan aanhouden en de partijen uitnodigen om overeenkomstig lid 4 een daartoe strekkend verzoek te richten aan het gerecht van die andere lidstaat; of

b) het gerecht van een andere lidstaat verzoeken zijn bevoegdheid overeenkomstig lid 5 uit te oefenen.

2. Lid 1 is van toepassing:

a) op verzoek van een van de partijen, of

b) op initiatief van het gerecht, of

c) op verzoek van het gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft, overeenkomstig lid 3.

Verwijzing op initiatief van het gerecht of op verzoek van het gerecht van een andere lidstaat kan echter slechts plaatsvinden indien zulks door ten minste een van de partijen wordt aanvaard.

3. Het kind wordt geacht in de zin van lid 1 een bijzondere band met een lidstaat te hebben indien:

a) het kind na de aanhangigmaking van een zaak bij het in lid 1 bedoelde gerecht zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft verkregen; of

b) het kind voordien zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat had; of

c) het kind onderdaan van die lidstaat is; of

d) een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft; of

e) het geschil betrekking heeft op maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer, de instandhouding van of de beschikking over bestanddelen van het vermogen van het kind die zich op het grondgebied van die lidstaat bevinden.

4. Het gerecht van de lidstaat dat bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen stelt een termijn vast waarbinnen de zaak overeenkomstig lid 1 bij de gerechten van de andere lidstaat aanhangig moet worden gemaakt.

Wordt de zaak niet binnen deze termijn aanhangig gemaakt, dan blijft het gerecht waarbij de zaak aanvankelijk aanhangig is gemaakt de bevoegdheid overeenkomstig de artikelen 8 tot en met 14 uitoefenen.

5. De gerechten van de andere lidstaat kunnen, wanneer dit, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak, in het belang van het kind is, binnen zes weken nadat de zaak op grond van lid 1, onder a) of b), bij hen aanhangig is gemaakt, de bevoegdheid aanvaarden. Het gerecht waarbij de zaak het eerst was aangebracht, ziet in dit geval af van het uitoefenen van zijn bevoegdheid. In het andere geval blijft het gerecht waarbij de zaak het eerst was aangebracht, zijn bevoegdheid overeenkomstig de artikelen 8 tot en met 14 uitoefenen.

6. Voor de toepassing van dit artikel zijn de gerechten gehouden hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de overeenkomstig artikel 53 aangewezen centrale autoriteiten, samen te werken.

AFDELING 3

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 16

Aanhangigmaking van een zaak bij een gerecht

1. Een zaak wordt geacht bij een gerecht aanhangig te zijn gemaakt:

a) op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten de vereiste stappen te nemen teneinde het stuk aan de verweerder te doen betekenen of mede te delen;

of

b) indien de betekening of mededeling van dit stuk moet plaatsvinden voordat het bij het gerecht wordt neergelegd, op het tijdstip waarop het door de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of mededeling, wordt ontvangen, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten de vereiste stappen te nemen teneinde het stuk bij het gerecht neer te leggen.

Artikel 17

Toetsing van de bevoegdheid

Het gerecht van een lidstaat waarbij een zaak aanhangig is gemaakt waarvoor overeenkomstig deze verordening niet dit gerecht maar een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is, verklaart zich ambtshalve onbevoegd.

Artikel 18

Toetsing van de ontvankelijkheid

1. Wanneer de verweerder die zijn gewone verblijfplaats in een andere lidstaat heeft dan de lidstaat waar de zaak aanhangig is gemaakt, niet verschijnt, houdt het bevoegde gerecht zijn uitspraak aan zolang niet vaststaat dat de verweerder in de gelegenheid is gesteld het stuk waarmee het geding is ingeleid of een gelijkwaardig stuk zo tijdig als met het oog op zijn verdediging noodzakelijk was, te ontvangen, of dat daartoe al het nodige is gedaan.

2. Artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1348/2000 is in plaats van het bepaalde in lid 1 van toepassing, indien het stuk waarmee het geding is ingeleid of een gelijkwaardig stuk overeenkomstig het bepaalde in die verordening door een lidstaat aan een andere lidstaat diende te worden toegezonden.

3. Wanneer de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1348/2000 niet van toepassing zijn, wordt artikel 15 van het Verdrag van 's-Gravenhage van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken toegepast, indien het stuk waarmee het geding is ingeleid of een gelijkwaardig stuk overeenkomstig dat verdrag aan een andere staat diende te worden toegezonden.

Artikel 19

Aanhangigheid en onderling samenhangende procedures

1. Wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen procedures tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk aanhangig zijn, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

2. Wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten procedures betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind aanhangig zijn welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

3. Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verwijst het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, partijen naar dat gerecht.

In dit geval kan de partij die de procedure aanhangig heeft gemaakt bij het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, die vordering aanhangig maken bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht.

Artikel 20

Voorlopige en bewarende maatregelen

1. In spoedeisende gevallen vormt deze verordening voor de gerechten van een lidstaat geen beletsel om met betrekking tot personen of goederen die zich in die staat bevinden, voorlopige en bewarende maatregelen te nemen waarin de wetgeving van die lidstaat voorziet, zelfs indien krachtens deze verordening een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen.

2. De ter uitvoering van lid 1 genomen maatregelen houden op van toepassing te zijn, wanneer het gerecht van de lidstaat dat krachtens deze verordening bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen, de maatregelen heeft genomen die hij passend acht.

HOOFDSTUK III

ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING

AFDELING 1

Erkenning

Artikel 21

Erkenning van een beslissing

1. De in een lidstaat gegeven beslissing wordt in de andere lidstaten erkend zonder dat daartoe enigerlei procedure vereist is.

2. In het bijzonder is er, onverminderd lid 3, geen procedure vereist om de akten van de burgerlijke stand van een lidstaat aan te passen overeenkomstig een in een andere lidstaat gegeven beslissing ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, waartegen volgens de wetgeving van die lidstaat geen rechtsmiddel meer openstaat.

3. Onverminderd afdeling 4 kan elke belanghebbende volgens de procedures van afdeling 2 een verzoek om een beslissing houdende erkenning of niet-erkenning van de beslissing indienen.

De relatieve bevoegdheid van het gerecht, genoemd in de lijst die overeenkomstig artikel 68 door elke lidstaat aan de Commissie wordt toegezonden, wordt beheerst door het nationale recht van de lidstaat waar een verzoek om een beslissing houdende erkenning of niet-erkenning wordt ingediend.

4. Indien voor een gerecht van een lidstaat de erkenning van een beslissing als incidentele vraag wordt opgeworpen, kan zij daarover uitspraak doen.

Artikel 22

Gronden tot weigering van de erkenning van beslissingen ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk

Een beslissing ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk wordt niet erkend:

a) indien de erkenning kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de aangezochte lidstaat;

b) indien het stuk waarmee het geding is ingeleid of een gelijkwaardig stuk niet tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging noodzakelijk was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend of medegedeeld, tenzij vaststaat dat hij ondubbelzinnig met de beslissing instemt;

c) indien zij onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing; of

d) indien de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een andere lidstaat of in een derde land tussen dezelfde partijen is gegeven, mits die vroegere beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte lidstaat.

Artikel 23

Gronden tot weigering van de erkenning van beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid

Een beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid wordt niet erkend:

a) indien de erkenning, gelet op het belang van het kind, kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de aangezochte lidstaat;

b) behalve in spoedeisende gevallen, indien zij is gegeven zonder dat het kind, in strijd met de fundamentele procesregels van de aangezochte lidstaat, in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord;

c) indien het stuk waarmee het geding is ingeleid of een gelijkwaardig stuk niet tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging noodzakelijk was, aan de persoon tegen wie verstek werd verleend, is medegedeeld of betekend, tenzij vaststaat dat deze persoon ondubbelzinnig met de beslissing instemt;

d) ten verzoeke van eenieder die beweert dat de beslissing in de weg staat aan de uitoefening van zijn ouderlijke verantwoordelijkheid, indien zij is gegeven zonder dat deze persoon in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord;

e) indien zij onverenigbaar is met een latere beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, die in de aangezochte lidstaat is gegeven;

f) indien zij onverenigbaar is met een latere beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid die in een andere lidstaat of in het derde land van de gewone verblijfplaats van het kind is gegeven, mits die latere beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte lidstaat;

of

g) indien de procedure van artikel 56 niet in acht is genomen.

Artikel 24

Geen toetsing van de bevoegdheid van het oorspronkelijke gerecht

De bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van herkomst wordt niet getoetst. Het criterium van de openbare orde, bedoeld in artikel 22, onder a), en artikel 23, onder a), wordt niet toegepast op de bevoegdheidsregels van de artikelen 3 tot en met 14.

Artikel 25

Verschillen in toepasselijk recht

De erkenning van een beslissing mag niet worden geweigerd op de grond dat volgens de wetgeving van de aangezochte lidstaat echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk op dezelfde gronden niet mogelijk zou zijn.

Artikel 26

Geen onderzoek van de juistheid

In geen geval wordt de juistheid van de beslissing onderzocht.

Artikel 27

Aanhouding van de uitspraak

1. Het gerecht waarbij een verzoek om een beslissing houdende erkenning van een in een andere lidstaat gegeven beslissing aanhangig is gemaakt, kan zijn uitspraak aanhouden indien tegen deze beslissing een gewoon rechtsmiddel is ingesteld.

2. Het gerecht waarbij een verzoek om een beslissing houdende erkenning van een in het Verenigd Koninkrijk of Ierland gegeven beslissing aanhangig is gemaakt, kan zijn uitspraak aanhouden indien de tenuitvoerlegging is geschorst door een in de lidstaat van herkomst tegen die beslissing ingesteld rechtsmiddel.

AFDELING 2

Verzoek om uitvoerbaarverklaring

Artikel 28

Uitvoerbare beslissingen

1. Beslissingen betreffende de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind, die in een lidstaat zijn gegeven en aldaar uitvoerbaar zijn, en die betekend zijn, zijn in een andere lidstaat uitvoerbaar nadat zij aldaar op verzoek van een belanghebbende uitvoerbaar zijn verklaard.

2. In het Verenigd Koninkrijk zijn zodanige beslissingen in Engeland en Wales, in Schotland of in Noord-Ierland echter eerst uitvoerbaar na op verzoek van een belanghebbende in het betrokken gebiedsdeel van het Verenigd Koninkrijk voor tenuitvoerlegging te zijn geregistreerd.

Artikel 29

Relatief bevoegd gerecht

1. Het verzoek om uitvoerbaarverklaring wordt ingediend bij het gerecht dat in de overeenkomstig artikel 68 door elke lidstaat aan de Commissie toegezonden lijst is genoemd.

2. Het relatief bevoegde gerecht is dat van de gewone verblijfplaats van de persoon tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, of van de gewone verblijfplaats van een kind waarop het verzoek betrekking heeft.

Wanneer geen van de in de eerste alinea genoemde plaatsen zich in de lidstaat van tenuitvoerlegging bevindt, is het relatief bevoegde gerecht dat van de plaats van tenuitvoerlegging.

Artikel 30

Procedure

1. De vereisten voor indiening van het verzoek worden beheerst door de wetgeving van de lidstaat van tenuitvoerlegging.

2. De verzoeker moet woonplaats kiezen binnen het rechtsgebied van het gerecht dat van het verzoek kennis neemt. Kent de wetgeving van de lidstaat van tenuitvoerlegging echter geen woonplaatskeuze, dan wijst de verzoeker een procesgemachtigde aan.

3. De in de artikelen 37 en 39 bedoelde documenten worden bij het verzoek gevoegd.

Artikel 31

Beslissing van de rechterlijke instantie

1. De rechterlijke instantie waarbij het verzoek is ingediend, doet daarover onverwijld uitspraak. Noch de persoon tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, noch het kind wordt in deze stand van de procedure in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

2. Het verzoek kan slechts om een van de in de artikelen 22, 23 en 24 genoemde redenen worden afgewezen.

3. In geen geval wordt de juistheid van de beslissing onderzocht.

Artikel 32

Kennisgeving van de beslissing

De op het verzoek gegeven beslissing wordt door de griffier onverwijld ter kennis van de verzoeker gebracht, op de in de wetgeving van de aangezochte lidstaat bepaalde wijze.

Artikel 33

Rechtsmiddelen

1. Elke partij kan tegen de beslissing over het verzoek om uitvoerbaarverklaring een rechtsmiddel instellen.

2. Het verzoek om uitvoerbaarverklaring wordt ingediend bij de rechterlijke instantie genoemd in de overeenkomstig artikel 68 door elke lidstaat aan de Commissie toegezonden lijst.

3. Het rechtsmiddel wordt behandeld volgens de regels van de procedure op tegenspraak.

4. Indien het rechtsmiddel wordt ingesteld door de partij die om uitvoerbaarverklaring verzoekt, wordt de partij tegen wie tenuitvoerlegging wordt gevraagd, opgeroepen voor het gerecht waarbij het rechtsmiddel is ingesteld. Indien deze partij niet verschijnt, is artikel 18 van toepassing.

5. Het rechtsmiddel tegen de beslissing tot uitvoerbaarverklaring moet worden ingesteld binnen een maand na de betekening daarvan. Indien de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, gewoonlijk in een andere lidstaat verblijft dan die waar de beslissing tot uitvoerbaarverklaring is gegeven, bedraagt de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel twee maanden, te rekenen vanaf de datum van de betekening aan deze partij in persoon of op zijn adres. De termijn kan niet op grond van de afstand worden verlengd.

Artikel 34

Hogere voorziening en terzake bevoegde rechterlijke instanties

Tegen de op het rechtsmiddel gegeven beslissing kunnen slechts de rechtsmiddelen worden aangewend die worden genoemd in de overeenkomstig artikel 68 door elke lidstaat aan de Commissie toegezonden lijst.

Artikel 35

Aanhouding van de uitspraak

1. Het gerecht waarbij overeenkomstig artikel 33 of artikel 34 een rechtsmiddel wordt ingesteld, kan op verzoek van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, zijn uitspraak aanhouden indien in de lidstaat van herkomst een gewoon rechtsmiddel is ingesteld of de termijn daartoe nog niet is verstreken. In dit laatste geval kan de rechterlijke instantie een termijn vaststellen binnen welke het rechtsmiddel moet worden ingesteld.

2. Indien de beslissing in het Verenigd Koninkrijk of Ierland is gegeven, wordt elk rechtsmiddel dat in de lidstaat van herkomst kan worden ingesteld, voor de toepassing van lid 1 als een gewoon rechtsmiddel beschouwd.

Artikel 36

Gedeeltelijke tenuitvoerlegging

1. Indien in de beslissing uitspraak is gedaan over meer dan een onderdeel van het verzoek en de tenuitvoerlegging niet voor het geheel kan worden toegestaan, staat het gerecht de tenuitvoerlegging voor één of meer van die onderdelen toe.

2. De verzoeker kan om gedeeltelijke tenuitvoerlegging vragen.

AFDELING 3

Gemeenschappelijke bepalingen van de afdelingen 1 en 2

Artikel 37

Stukken

1. De partij die de erkenning van een beslissing vordert of betwist, dan wel om uitvoerbaarverklaring verzoekt, legt over:

a) een afschrift van de beslissing dat voldoet aan de voorwaarden tot vaststelling van de echtheid ervan;

en

b) het certificaat bedoeld in artikel 39.

2. Indien het een beslissing bij verstek betreft, legt de partij die de erkenning vordert of om uitvoerbaarverklaring verzoekt, voorts over:

a) het origineel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het stuk waaruit blijkt dat het stuk waarmee het geding is ingeleid of een gelijkwaardig stuk aan de niet-verschenen partij is betekend of medegedeeld;

of

b) enig stuk waaruit blijkt dat de verweerder ondubbelzinnig met de beslissing instemt.

Artikel 38

Ontbrekende stukken

1. Bij gebreke van overlegging van de in artikel 37, lid 1, onder b), of lid 2, bedoelde stukken kan het gerecht een termijn voor de overlegging daarvan vaststellen of gelijkwaardige stukken aanvaarden, dan wel, indien zij zich voldoende ingelicht acht, vrijstelling van de overlegging verlenen.

2. Indien het gerecht dit verlangt, wordt een vertaling van de stukken overgelegd. De vertaling wordt gewaarmerkt door een persoon die in een van de lidstaten daartoe gemachtigd is.

Artikel 39

Certificaten betreffende beslissingen in huwelijkszaken en certificaten betreffende beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid

Het bevoegde gerecht of de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst geeft op verzoek van een belanghebbende een certificaat af volgens het modelformulier in bijlage I (beslissingen in huwelijkszaken) of in bijlage II (beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid).

AFDELING 4

Uitvoerbaarheid van bepaalde beslissingen omtrent het omgangsrecht en bepaalde beslissingen die de terugkeer van het kind met zich brengen

Artikel 40

Toepassingsgebied

1. Deze afdeling is van toepassing op:

a) het omgangsrecht,

en

b) de terugkeer van een kind die voortvloeit uit een beslissing als bedoeld in artikel 11, lid 8.

2. De bepalingen van deze afdeling vormen voor een persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt geen beletsel om overeenkomstig de bepalingen van de afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk om erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing te vragen.

Artikel 41

Omgangsrecht

1. Het in artikel 40, lid 1, onder a), bedoelde omgangsrecht, wordt wanneer het is toegekend bij een in een lidstaat gegeven uitvoerbare beslissing, in een andere lidstaat erkend en is aldaar uitvoerbaar zonder dat een uitvoerbaarverklaring behoeft te worden verkregen en zonder dat men zich tegen de erkenning kan verzetten, indien met betrekking tot die beslissing in de lidstaat van herkomst overeenkomstig lid 2 van dit artikel een certificaat is afgegeven.

Ook indien het nationale recht niet bepaalt dat een beslissing waarbij een omgangsrecht is toegekend van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad is, kan het gerecht dat de beslissing heeft gegeven de beslissing bij voorraad uitvoerbaar verklaren.

2. De rechter van de lidstaat van herkomst geeft het in lid 1 bedoelde certificaat, met gebruikmaking van het in bijlage III opgenomen modelformulier (certificaat betreffende het omgangsrecht), slechts af, indien:

a) in geval van procedure bij verstek, het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de niet-verschenen persoon is betekend of medegedeeld, of, wanneer het is betekend of medegedeeld zonder dat deze voorwaarden werden nageleefd, het niettemin vaststaat dat deze ondubbelzinnig met de beslissing instemt;

b) alle betrokken partijen in de gelegenheid zijn gesteld te worden gehoord;

en

c) het kind in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, tenzij dit vanwege zijn leeftijd of mate van rijpheid niet raadzaam werd geacht.

Het certificaat wordt in de taal van de beslissing gesteld.

3. Indien het omgangsrecht betrekking heeft op een geval dat zodra de beslissing is uitgesproken een grensoverschrijdend karakter heeft, wordt het certificaat ambtshalve afgegeven wanneer de beslissing uitvoerbaar wordt, ook indien zij slechts bij voorraad uitvoerbaar wordt. Indien de situatie pas nadien een grensoverschrijdend karakter krijgt, wordt het certificaat op verzoek van een van de partijen afgegeven.

Artikel 42

Terugkeer van een kind

1. De in artikel 40, lid 1, onder b), bedoelde terugkeer van een kind, die voortvloeit uit een in een lidstaat gegeven uitvoerbare beslissing, wordt in een andere lidstaat erkend en is aldaar uitvoerbaar zonder dat een uitvoerbaarverklaring behoeft te worden verkregen en zonder dat men zich tegen de erkenning kan verzetten, indien met betrekking tot de beslissing in de lidstaat van herkomst een certificaat overeenkomstig lid 2, is afgegeven.

Ook indien het nationale recht niet bepaalt dat een overeenkomstig artikel 11, lid 8, gegeven beslissing die de terugkeer van het kind met zich brengt van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad is, kan het gerecht in de lidstaat van herkomst de beslissing bij voorraad uitvoerbaar verklaren.

2. De rechter van de lidstaat van herkomst geeft het in artikel 40, lid 1, onder b), bedoelde certificaat slechts af indien:

a) het kind in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, tenzij zulks vanwege zijn leeftijd of mate van rijpheid niet raadzaam werd geacht,

b) de partijen in de gelegenheid zijn gesteld te worden gehoord, en

c) het gerecht bij het geven van de beslissing rekening heeft gehouden met de redenen en het bewijs op grond waarvan de beslissing ingevolge artikel 13 van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 is gegeven.

Indien het gerecht of enige andere autoriteit maatregelen treft ter bescherming van het kind na diens terugkeer naar de staat van zijn gewone verblijfplaats, vermeldt het certificaat de bijzonderheden van die maatregelen.

De rechter van de lidstaat van herkomst geeft het certificaat ambtshalve af, met gebruikmaking van het in bijlage IV opgenomen modelformulier (certificaat betreffende de terugkeer).

Het certificaat wordt in de taal van de beslissing gesteld.

Artikel 43

Verbetering van het certificaat

1. Het recht van de lidstaat van herkomst is van toepassing op een eventuele verbetering van het certificaat.

2. Voor het overige staat tegen de afgifte van een certificaat overeenkomstig artikel 41, lid 1, of artikel 42, lid 1, geen rechtsmiddel open.

Artikel 44

Rechtsgevolgen van het certificaat

Het certificaat heeft alleen gevolg binnen de grenzen van de uitvoerbaarheid van de uitspraak.

Artikel 45

Stukken

1. De partij die om de tenuitvoerlegging van een beslissing vraagt, legt over:

a) een afschrift van de beslissing dat voldoet aan de voorwaarden tot vaststelling van de echtheid ervan;

en

b) het in artikel 41, lid 1, of artikel 42, lid 1, bedoelde certificaat.

2. Voor de toepassing van dit artikel,

- gaat het in artikel 41, lid 1, bedoelde certificaat vergezeld van een vertaling van punt 12 inzake de modaliteiten van uitoefening van het omgangsrecht;

- gaat het in artikel 42, lid 1, bedoelde certificaat vergezeld van een vertaling van punt 14 inzake uitvoering van de maatregelen die zijn genomen met het oog op de terugkeer van het kind.

De vertaling wordt gesteld in de officiële taal of een van de officiële talen van de aangezochte lidstaat of in enige andere taal die de aangezochte lidstaat uitdrukkelijk aanvaardt. De vertaling wordt gewaarmerkt door een persoon die in een van de lidstaten daartoe gemachtigd is.

AFDELING 5

Authentieke akten en overeenkomsten

Artikel 46

Authentieke akten, verleden en uitvoerbaar in een lidstaat, en overeenkomsten tussen partijen, uitvoerbaar in de lidstaat van herkomst, worden onder dezelfde voorwaarden erkend en uitvoerbaar gemaakt als beslissingen.

AFDELING 6

Overige bepalingen

Artikel 47

Procedure van tenuitvoerlegging

1. De procedure van tenuitvoerlegging wordt beheerst door de wetgeving van de lidstaat van tenuitvoerlegging.

2. Elke beslissing van een gerecht van een andere lidstaat die overeenkomstig afdeling 2 uitvoerbaar is verklaard, dan wel waarvoor overeenkomstig artikel 41, lid 1, of artikel 42, lid 1, een certificaat is afgegeven, wordt in de lidstaat van tenuitvoerlegging ten uitvoer gelegd onder dezelfde voorwaarden als een in die lidstaat gegeven beslissing.

In het bijzonder kan een beslissing waarvoor overeenkomstig artikel 41, lid 1, of artikel 42, lid 1, een certificaat is afgegeven, niet ten uitvoer worden gelegd als zij onverenigbaar is met een nadien gegeven uitvoerbare beslissing.

Artikel 48

Modaliteiten van uitoefening van het omgangsrecht

1. De gerechten van de lidstaat van tenuitvoerlegging kunnen modaliteiten van uitoefening van het omgangsrecht vaststellen indien de noodzakelijke modaliteiten niet of onvoldoende zijn voorzien in de beslissing van de gerechten van de lidstaat die bevoegd zijn ten gronde over de zaak te beslissen, mits de wezenlijke bestanddelen van die beslissing worden geeerbiedigd.

2. De overeenkomstig lid 1 vastgestelde modaliteiten houden op van toepassing te zijn wanneer later een beslissing terzake wordt gegeven door de gerechten van de lidstaat die bevoegd zijn ten gronde over de zaak te beslissen.

Artikel 49

Kosten

De bepalingen van dit hoofdstuk, behalve die van afdeling 4, zijn ook van toepassing op het bepalen van het bedrag van de gerechtskosten van overeenkomstig deze verordening aangespannen procedures en op de tenuitvoerlegging van elke beslissing betreffende die kosten.

Artikel 50

Rechtsbijstand

De verzoeker die in de lidstaat van herkomst in aanmerking kwam voor gehele of gedeeltelijke kosteloze rechtsbijstand of vrijstelling van kosten en uitgaven, komt in de procedures, bedoeld in de artikelen 21, 28, 41, 42 en 48, in aanmerking voor de gunstigste bijstand of de ruimste vrijstelling waarin de wetgeving van de lidstaat van tenuitvoerlegging voorziet.

Artikel 51

Zekerheid of depot

Van de partij die in een lidstaat de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing vordert, kan geen zekerheid of depot, onder welke benaming ook, worden geëist op de grond dat:

a) hij geen gewone verblijfplaats heeft in de lidstaat waar de tenuitvoerlegging wordt gevorderd; of

b) hij vreemdeling is of, wanneer in het Verenigd Koninkrijk of Ierland de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, hij zijn "domicile" (woonplaats) niet in een van die lidstaten heeft.

Artikel 52

Legalisatie of soortgelijke formaliteit

Geen legalisatie of soortgelijke formaliteit is vereist met betrekking tot de in de artikelen 37, 38 en 45 bedoelde stukken, noch, in voorkomend geval, met betrekking tot de procesvolmacht.

HOOFDSTUK IV

SAMENWERKING TUSSEN CENTRALE AUTORITEITEN INZAKE OUDERLIJKE VERANTWOORDELIJKHEID

Artikel 53

Aanwijzing

Elke lidstaat wijst één of meer centrale autoriteiten aan om behulpzaam te zijn bij de toepassing van deze verordening en preciseert haar of hun bevoegdheid/bevoegdheden ratione loci of ratione materiae. Wanneer een lidstaat meer dan één centrale autoriteit heeft aangewezen, dienen mededelingen in beginsel direct aan de bevoegde centrale autoriteit te worden toegezonden. Wordt een mededeling toegezonden aan een centrale autoriteit die niet bevoegd is, dan zendt deze autoriteit die mededeling door aan de bevoegde centrale autoriteit en stelt zij de afzender daarvan in kennis.

Artikel 54

Algemene taken

De centrale autoriteiten verstrekken informatie betreffende de nationale wetgeving en procedures en nemen maatregelen om de toepassing van deze verordening te verbeteren en hun onderlinge samenwerking te versterken. Daartoe wordt gebruikgemaakt van het bij Beschikking 2001/470/EG ingestelde Europese justitiële netwerk in burgerlijke en handelszaken.

Artikel 55

Samenwerking in specifieke gevallen op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid

De centrale autoriteiten werken op verzoek van een centrale autoriteit van een andere lidstaat of van een persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, in specifieke gevallen met elkaar samen ter verwezenlijking van de doeleinden van deze verordening. Daartoe nemen zij, overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat inzake de bescherming van persoonsgegevens, rechtstreeks of door tussenkomst van overheidsdiensten of andere instanties, alle passende maatregelen om:

a) informatie te verzamelen en uit te wisselen over:

i) de situatie van het kind,

ii) lopende procedures, en

iii) enige met betrekking tot het kind genomen beslissing;

b) informatie te verstrekken en bijstand te verlenen aan personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind dragen en die op hun grondgebied beslissingen willen doen erkennen en ten uitvoer leggen, met name wat betreft het omgangsrecht en de terugzending van het kind;

c) de informatie-uitwisseling tussen de gerechten te ondersteunen, met name met het oog op de uitvoering van artikel 11, leden 6 en 7, en artikel 15;

d) alle informatie en bijstand te verstrekken die dienstig kunnen zijn voor de toepassing, door de gerechten, van artikel 56;

e) door bemiddeling of anderszins overeenstemming tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind dragen, te bevorderen en daartoe grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen.

Artikel 56

Plaatsing van het kind in een andere lidstaat

1. Indien het ingevolge de artikelen 8 tot en met 15 bevoegde gerecht overweegt het kind te plaatsen in een instelling of in een pleeggezin, en indien deze plaatsing zal geschieden in een andere lidstaat, pleegt het eerst overleg met de centrale autoriteit of een andere bevoegde autoriteit van die lidstaat, indien voor interne plaatsingen van kinderen in die lidstaat de tussenkomst van een overheidsinstantie is voorzien.

2. De in lid 1 bedoelde beslissing over de plaatsing mag in de verzoekende lidstaat slechts worden genomen indien de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat heeft ingestemd met de plaatsing.

3. De nadere regeling van de in de leden 1 en 2 bedoelde raadpleging of goedkeuring wordt aan het nationale recht van de aangezochte lidstaat overgelaten.

4. Indien het ingevolge de artikelen 8 tot en met 15 bevoegde gerecht besluit het kind te plaatsen in een pleeggezin en die plaatsing in een andere lidstaat geschiedt, en indien voor interne plaatsingen van kinderen in die lidstaat geen tussenkomst van een overheidsinstantie is voorzien, stelt zij de centrale autoriteit of een bevoegde autoriteit van die lidstaat daarvan in kennis.

Artikel 57

Werkwijze

1. Een persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, kan bij de centrale autoriteit van de lidstaat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft of bij de centrale autoriteit van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft of waar het zich bevindt, een verzoek om bijstand als omschreven in artikel 55 indienen. Bij het verzoek wordt in de regel alle informatie gevoegd die de uitvoering ervan kan vergemakkelijken. Indien het verzoek om bijstand betrekking heeft op erkenning of tenuitvoerlegging van een beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid die binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt, voegt de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt de desbetreffende certificaten, bedoeld in artikel 39, artikel 41, lid 1, of artikel 42, lid 1, bij het verzoek.

2. De lidstaten doen de Commissie mededeling van de andere officiële taal of andere officiële talen van de instellingen van de Gemeenschap dan hun eigen taal of talen waarin de mededelingen aan hun centrale autoriteiten kunnen worden toegezonden.

3. De door de centrale autoriteiten overeenkomstig artikel 55 verleende bijstand is kosteloos.

4. Elke centrale autoriteit draagt haar eigen kosten.

Artikel 58

Vergaderingen

1. Op gezette tijden worden vergaderingen van de centrale autoriteiten gehouden om de toepassing van de onderhavige verordening te vergemakkelijken.

2. De bijeenroeping van deze vergaderingen geschiedt overeenkomstig Beschikking 2001/470/EG betreffende de oprichting van een Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken.

HOOFDSTUK V

VERHOUDING TOT ANDERE INSTRUMENTEN

Artikel 59

Verhouding tot andere instrumenten

1. Onverminderd de artikelen 60, 63 en 64 en lid 2 van het onderhavige artikel treedt deze verordening tussen de lidstaten in de plaats van de op het tijdstip van de inwerkingtreding ervan bestaande overeenkomsten tussen twee of meer lidstaten, die betrekking hebben op onderwerpen welke in deze verordening zijn geregeld.

2. a) Finland en Zweden hebben de mogelijkheid te verklaren dat de Overeenkomst van 6 februari 1931 tussen Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden houdende internationaal-privaatrechtelijke bepalingen ter zake van huwelijk, adoptie en voogdij, met het bijbehorende slotprotocol, in hun onderlinge betrekkingen geheel of gedeeltelijk toepasselijk is in plaats van deze verordening. Een dergelijke verklaring wordt als bijlage bij deze verordening in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt. Voornoemde lidstaten kunnen te allen tijde hun verklaring geheel of gedeeltelijk intrekken.

b) Het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit van burgers van de Unie wordt geëerbiedigd.

c) In alle toekomstige overeenkomsten tussen de onder a) genoemde lidstaten worden de bevoegdheidsregels die betrekking hebben op een in deze verordening geregeld onderwerp, in overeenstemming gebracht met de regels van deze verordening.

d) Beslissingen die in een van de Noordse staten die een verklaring als bedoeld onder a) heeft afgelegd, zijn gegeven op een bevoegdheidsgrond die overeenkomt met een van de gronden waarin hoofdstuk II van deze verordening voorziet, worden in de overige lidstaten overeenkomstig de regels van hoofdstuk III van deze verordening erkend en ten uitvoer gelegd.

3. Door de lidstaten wordt aan de Commissie:

a) een afschrift toegezonden van de in lid 2, onder a) en c), bedoelde overeenkomsten en van de eenvormige wetten ter uitvoering daarvan;

b) mededeling gedaan van elke opzegging van of wijziging in deze overeenkomsten of eenvormige wetten.

Artikel 60

Verhouding tot bepaalde multilaterale verdragen

In de betrekkingen tussen de lidstaten heeft deze verordening voorrang boven de volgende verdragen, voorzover zij betrekking hebben op onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld:

a) het Verdrag van 's-Gravenhage van 5 oktober 1961 betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen;

b) het Verdrag van Luxemburg van 8 september 1967 inzake de erkenning van beslissingen betreffende de huwelijksband;

c) het Verdrag van 's-Gravenhage van 1 juni 1970 inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed;

d) het Europees Verdrag van 20 mei 1980 betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen;

en

e) het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen.

Artikel 61

Verhouding tot het Verdrag van 's-Gravenhage van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen

In de verhouding tot het Verdrag van 's-Gravenhage van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen is de onderhavige verordening van toepassing:

a) indien het betrokken kind zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft;

b) indien het betreft de erkenning en de tenuitvoerlegging van een beslissing die door het bevoegde gerecht van een lidstaat is gegeven op het grondgebied van een andere lidstaat, ook indien het betrokken kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een derde staat die geen partij is bij genoemd Verdrag.

Artikel 62

Geldingsbereik

1. De in artikel 59, lid 1, en de artikelen 60 en 61 genoemde overeenkomsten en verdragen behouden hun gelding op de terreinen die niet door de onderhavige verordening worden geregeld.

2. De in artikel 60 genoemde verdragen, met name het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980, behouden hun gelding tussen de lidstaten die partij zijn bij genoemde verdragen, met inachtneming van artikel 60.

Artikel 63

Verdragen met de Heilige Stoel

1. Deze verordening laat onverlet het op 7 mei 1940 te Vaticaanstad ondertekende internationale verdrag (concordaat) tussen de Heilige Stoel en de Portugese Republiek.

2. Elke beslissing ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk, gegeven krachtens het in lid 1 genoemde concordaat, wordt in de lidstaten erkend onder de in hoofdstuk III, afdeling 1, vastgestelde voorwaarden.

3. Het bepaalde in de leden 1 en 2 is tevens van toepassing op de volgende internationale verdragen (concordaten) met de Heilige Stoel:

a) het Verdrag van Lateranen van 11 februari 1929 tussen de Italiaanse Republiek en de Heilige Stoel, gewijzigd bij de op 18 februari 1984 te Rome ondertekende overeenkomst met bijbehorend protocol;

b) de overeenkomst van 3 januari 1979 tussen de Heilige Stoel en Spanje over juridische kwesties.

4. De in lid 2 voorziene erkenning van beslissingen kan in Italië en in Spanje worden onderworpen aan dezelfde procedures en controles als die van toepassing zijn ten aanzien van beslissingen van kerkelijke rechterlijke instanties op grond van de in lid 3 genoemde internationale verdragen met de Heilige Stoel.

5. De betrokken lidstaten:

a) zenden de Commissie een afschrift van de in de leden 1 en 3 genoemde verdragen toe;

b) doen haar mededeling van elke opzegging van of wijziging in deze verdragen.

HOOFDSTUK VI

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 64

1. De bepalingen van deze verordening zijn slechts van toepassing op gerechtelijke procedures die zijn ingesteld, authentieke akten die zijn verleden en overeenkomsten die tussen partijen tot stand gekomen zijn na de datum vanaf welke deze verordening overeenkomstig artikel 72 van toepassing is.

2. Beslissingen, gegeven na de datum vanaf welke de onderhavige verordening van toepassing is, naar aanleiding van vóór die datum maar na de datum van inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1347/2000 ingestelde procedures, worden overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van de onderhavige verordening erkend en ten uitvoer gelegd indien de toegepaste bevoegdheidsregels overeenkomen met die waarin wordt voorzien door hoofdstuk II van de onderhavige verordening of, van Verordening (EG) nr. 1347/2000 of door een overeenkomst tussen de lidstaat van herkomst en de aangezochte lidstaat die van kracht was toen de procedure werd ingeleid.

3. Beslissingen, gegeven vóór de datum vanaf welke de onderhavige verordening van toepassing is, naar aanleiding van na de datum van inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1347/2000 ingestelde procedures, worden overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van de onderhavige verordening erkend en ten uitvoer gelegd, indien zij betrekking hebben op echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, dan wel, ter gelegenheid van dergelijke procedures in huwelijkszaken, op de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen.

4. Beslissingen, gegeven vóór de datum vanaf welke de onderhavige verordening van toepassing is, maar na de datum van inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1347/2000, naar aanleiding van vóór de datum van inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1347/2000 ingestelde vorderingen, worden overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van de onderhavige verordening erkend en ten uitvoer gelegd, indien zij betrekking hebben op echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, dan wel, ter gelegenheid van dergelijke procedures in huwelijkszaken, op de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen, en indien de toegepaste bevoegdheidsregels overeenkomen met die waarin wordt voorzien door hoofdstuk II van de onderhavige verordening of van Verordening (EG) nr. 1347/2000 of door een overeenkomst tussen de lidstaat van herkomst en de aangezochte lidstaat die van kracht was toen de procedure werd ingeleid.

HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 65

Herziening

Uiterlijk op 1 januari 2012 en vervolgens om de vijf jaar dient de Commissie, op basis van de door de lidstaten verstrekte gegevens, bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag over de toepassing van deze verordening in, dat zonodig vergezeld gaat van voorstellen tot wijziging van deze verordening.

Artikel 66

Lidstaten met twee of meer rechtsstelsels

Ten aanzien van een lidstaat waar met betrekking tot de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld, twee of meer rechtsstelsels of regelingen van toepassing zijn in verschillende gebiedsdelen:

a) wordt met de gewone verblijfplaats in die lidstaat de gewone verblijfplaats in een gebiedsdeel bedoeld;

b) heeft de term "nationaliteit" of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, de term "domicile" (woonplaats) betrekking op het gebiedsdeel dat in de wetgeving van die staat is aangeduid;

c) wordt met de autoriteit van een lidstaat de autoriteit van het betrokken gebiedsdeel van die staat bedoeld;

d) wordt met de bepalingen van de aangezochte lidstaat bedoeld de bepalingen van het gebiedsdeel waar de bevoegdheid, de erkenning of de tenuitvoerlegging wordt ingeroepen.

Artikel 67

Inlichtingen betreffende de centrale autoriteiten en aanvaarde talen

De lidstaten delen de Commissie binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening mee:

a) de namen, adressen en communicatiemiddelen van de overeenkomstig artikel 53 aangewezen centrale autoriteiten;

b) de overeenkomstig artikel 57, lid 2, voor mededelingen aan de centrale autoriteiten aanvaarde talen;

en

c) de overeenkomstig artikel 45, lid 2, voor het certificaat betreffende het omgangsrecht aanvaarde talen.

De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van elke wijziging in deze inlichtingen.

De Commissie maakt deze inlichtingen openbaar.

Artikel 68

Gegevens betreffende de gerechten en de rechtsmiddelen

De lidstaten doen de Commissie mededeling van de in de artikelen 21, 29, 33 en 34 genoemde lijsten van gerechten en rechtsmiddelen, alsmede van de wijzigingen die daarin worden aangebracht.

De Commissie houdt deze gegevens bij en maakt deze door bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie of door enig ander passend middel openbaar.

Artikel 69

Wijzigingen in de bijlagen

Elke wijziging in de in de bijlagen I tot en met IV opgenomen modelformulieren wordt aangenomen volgens de procedure van artikel 70, lid 2.

Artikel 70

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité, hierna "het comité" genoemd.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 71

Intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000

1. Verordening (EG) nr. 1347/2000 wordt ingetrokken met ingang van de datum vanaf welke de onderhavige verordening van toepassing is.

2. Elke verwijzing naar Verordening (EG) nr. 1347/2000 wordt gelezen als een verwijzing naar de onderhavige verordening, overeenkomstig de concordantietabel in bijlage V.

Artikel 72

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2004.

Deze verordening is van toepassing met ingang van 1 maart 2005, met uitzondering van de artikelen 67, 68, 69 en 70, die van toepassing zijn met ingang van 1 augustus 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Gedaan te Brussel, 27 november 2003.

Voor de Raad

De voorzitter

R. Castelli

(1) PB C 203 E van 27.8.2002, blz. 155.

(2) Advies uitgebracht op 20 september 2002 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3) PB C 61 van 14.3.2003, blz. 76.

(4) PB L 160 van 30.6.2000, blz. 19.

(5) Bij de aanneming van Verordening (EG) nr. 1347/2000 heeft de Raad nota genomen van het door professor Alegria Borras opgestelde verslag over de overeenkomst (PB C 221 van 16.7.1998, blz. 27).

(6) PB C 234 van 15.8.2000, blz. 7.

(7) PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1496/2002 van de Commissie (PB L 225 van 22.8.2002, blz. 13).

(8) PB L 160 van 30.6.2000, blz. 37.

(9) PB L 174 van 27.6.2001, blz. 1.

(10) PB L 174 van 27.6.2001, blz. 25.

(11) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

BIJLAGE I

CERTIFICAAT BETREFFENDE BESLISSINGEN IN HUWELIJKSZAKEN, BEDOELD IN ARTIKEL 39(1)

1. Lidstaat van oorsprong

2. Gerecht dat of autoriteit die het certificaat afgeeft

2.1. Naam

2.2. Adres

2.3. Tel./fax/e-mail

3. Huwelijk

3.1. Vrouw

3.1.1. Volledige naam

3.1.2. Adres

3.1.3. Geboorteland en -plaats

3.1.4. Geboortedatum

3.2. Man

3.2.1. Volledige naam

3.2.2. Adres

3.2.3. Geboorteland en -plaats

3.2.4. Geboortedatum

3.3. Land, plaats (indien bekend) en datum van het huwelijk

3.3.1. Land van het huwelijk

3.3.2. Plaats van het huwelijk (indien bekend)

3.3.3. Datum van het huwelijk

4. Gerecht dat de beslissing heeft gegeven

4.1. Naam van het gerecht

4.2. Plaats van het gerecht

5. Beslissing

5.1. Datum

5.2. Referentienummer

5.3. Soort beslissing

5.3.1. Echtscheiding

5.3.2. Nietigverklaring van het huwelijk

5.3.3. Scheiding van tafel en bed

5.4. Is de beslissing bij verstek gegeven?

5.4.1. Neen

5.4.2. Ja(2)

6. Namen van de partijen aan wie rechtsbijstand is toegekend

7. Staat tegen de beslissing hoger beroep open volgens de wet van de lidstaat van herkomst?

7.1. Neen

7.2. Ja

8. Datum van het rechtsgevolg in de lidstaat waar de beslissing is gegeven

8.1. Echtscheiding

8.2. Scheiding van tafel en bed

Gedaan te ..., ...

Handtekening en/of stempel

(1) Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000.

(2) De in artikel 37, lid 2, bedoelde stukken moeten worden bijgevoegd.

BIJLAGE II

CERTIFICAAT BETREFFENDE BESLISSINGEN INZAKE DE OUDERLIJKE VERANTWOORDELIJKHEID, BEDOELD IN ARTIKEL 39(1)

1. Lidstaat van oorsprong

2. Gerecht dat of autoriteit die het certificaat afgeeft

2.1. Naam

2.2. Adres

2.3. Tel./fax/e-mail

3. Houder(s) van het omgangsrecht

3.1. Volledige naam

3.2. Adres

3.3. Geboortedatum en -plaats (indien deze gegevens beschikbaar zijn)

4. Andere dan onder 3 vermelde personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen(2)

4.1. 4.1.1. Volledige naam

4.1.2. Adres

4.1.3. Geboortedatum en -plaats (indien deze gegevens beschikbaar zijn)

4.2. 4.2.1. Volledige naam

4.2.2. Adres

4.2.3. Geboortedatum en -plaats (indien deze gegevens beschikbaar zijn)

4.3. 4.3.1. Volledige naam

4.3.2. Adres

4.3.3. Geboortedatum en -plaats (indien deze gegevens beschikbaar zijn)

5. Gerecht dat de beslissing heeft gegeven

5.1. Naam van het gerecht

5.2. Plaats van het gerecht

6. Beslissing

6.1. Datum

6.2. Referentienummer

6.3. Is de beslissing bij verstek gegeven?

6.3.1. Neen

6.3.2. Ja(3)

7. Kinderen op wie de beslissing betrekking heeft(4)

7.1. Volledige naam en geboortedatum

7.2. Volledige naam en geboortedatum

7.3. Volledige naam en geboortedatum

7.4. Volledige naam en geboortedatum

8. Namen van de partijen aan wie rechtsbijstand is toegekend

9. Uitvoerbaarheid en betekening/mededeling

9.1. Is de beslissing volgens het recht van de lidstaat van herkomst uitvoerbaar?

9.1.1. Ja

9.1.2. Neen

9.2. Is de beslissing betekend/medegedeeld aan de partij jegens wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd?

9.2.1. Ja

9.2.1.1. Volledige naam van de partij

9.2.1.2. Adres

9.2.1.3. Datum van de betekening/mededeling

9.2.2. Neen

10. Specifieke gegevens voor de beslissingen betreffende het omgangsrecht indien om het exequatur wordt verzocht volgens artikel 28. Artikel 40, lid 2, voorziet in deze mogelijkheid:

10.1. Regelingen betreffende de uitoefening van het omgangsrecht (indien en voorzover deze gegevens in de beslissing staan)

10.1.1. Datum, tijd

10.1.1.1. Begin

10.1.1.2. Einde

10.1.2. Plaats

10.1.3. Bijzondere verplichtingen van de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt

10.1.4. Bijzondere verplichtingen van de houder van het omgangsrecht

10.1.5. Eventuele beperkingen van de uitoefening van het omgangsrecht

11. Specifieke gegevens voor de beslissingen betreffende de terugkeer van het kind indien om een exequatur wordt verzocht volgens artikel 28. Artikel 40, lid 2, voorziet in deze mogelijkheid:

11.1. De beslissing brengt de terugkeer van de kinderen met zich

11.2. Persoon bij wie het kind moet worden teruggebracht (indien dit gegeven in de beslissing staat)

11.2.1. Volledige naam

11.2.2. Adres

Gedaan te ..., ...

Handtekening en/of stempel

(1) Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000.

(2) Indien meer dan één persoon de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, kan de onder 3 vermelde persoon ook onder 4.

(3) De in artikel 37, lid 2, bedoelde stukken moeten worden bijgevoegd.

(4) Indien de beslissing betrekking heeft op meer dan vier kinderen, moet een tweede formulier worden gebruikt.

BIJLAGE III

CERTIFICAAT BETREFFENDE BESLISSINGEN INZAKE HET OMGANGSRECHT, BEDOELD IN ARTIKEL 41, LID 1(1)

1. Lidstaat van oorsprong

2. Gerecht dat of autoriteit die het certificaat afgeeft

2.1. Naam

2.2. Adres

2.3. Tel./fax/e-mail

3. Houder(s) van het omgangsrecht

3.1. Volledige naam

3.2. Adres

3.3. Geboortedatum en -plaats (indien deze gegevens beschikbaar zijn)

4. Andere dan onder 3 vermelde personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen(2)(3)

4.1. 4.1.1. Volledige naam

4.1.2. Adres

4.1.3. Geboortedatum en -plaats (indien deze gegevens beschikbaar zijn)

4.2. 4.2.1. Volledige naam

4.2.2. Adres

4.2.3. Geboortedatum en -plaats (indien deze gegevens beschikbaar zijn)

4.3. Anderen

4.3.1. Volledige naam

4.3.2. Adres

4.3.3. Geboortedatum en -plaats (indien deze gegevens beschikbaar zijn)

5. Gerecht dat de beslissing heeft gegeven

5.1. Naam van het gerecht

5.2. Plaats van het gerecht

6. Beslissing

6.1. Datum

6.2. Referentienummer

7. Kinderen op wie de beslissing betrekking heeft(4)

7.1. Volledige naam en geboortedatum

7.2. Volledige naam en geboortedatum

7.3. Volledige naam en geboortedatum

7.4. Volledige naam en geboortedatum

8. Staat tegen de beslissing hoger beroep open volgens het recht van de lidstaat van herkomst?

8.1. Ja

8.2. Neen

9. Het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk is tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan elke betrokkene die niet aan de procedure heeft deelgenomen, betekend of ter kennis gebracht, of het staat vast dat deze ondubbelzinnig met de beslissing instemt

10. Alle betrokken partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord

11. De kinderen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord, tenzij dit vanwege hun leeftijd of mate van rijpheid niet raadzaam werd geacht

12. Regelingen betreffende de uitoefening van het omgangsrecht (indien en voorzover deze gegevens beschikbaar zijn)

12.1. Datum, tijd

12.1.1. Aanvang

12.1.2. Einde

12.2. Plaats

12.3. Bijzondere verplichtingen van de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt

12.4. Bijzondere verplichtingen van de houder van het omgangsrecht

12.5. Eventuele beperkingen van de uitoefening van het omgangsrecht

13. Namen van de partijen aan wie rechtsbijstand is toegekend

Gedaan te ..., ...

Handtekening en/of stempel

(1) Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000.

(2) Indien meer dan één persoon de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, kan de onder 3 vermelde persoon ook onder 4.

(3) Met een kruisje in het vakje aangeven ten opzichte van welke persoon de beslissing ten uitvoer zou moeten worden gelegd.

(4) Indien de beslissing betrekking heeft op meer dan vier kinderen, moet een tweede formulier worden gebruikt.

BIJLAGE IV

CERTIFICAAT BETREFFENDE DE TERUGKEER VAN HET KIND, BEDOELD IN ARTIKEL 42, LID 1(1)

1. Lidstaat van oorsprong

2. Gerecht dat of autoriteit die het certificaat afgeeft

2.1. Naam

2.2. Adres

2.3. Tel./fax/e-mail

3. Persoon die gemachtigd is voor de terugkeer van het kind te zorgen (indien dit gegeven in de beslissing staat)

3.1. Volledige naam

3.2. Adres

3.3. Geboortedatum en -plaats (indien deze gegevens beschikbaar zijn)

4. Personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen(2)

4.1. Moeder

4.1.1. Volledige naam

4.1.2. Adres (indien deze gegevens beschikbaar zijn)

4.1.3. Geboortedatum en -plaats (indien deze gegevens beschikbaar zijn)

4.2. Vader

4.2.1. Volledige naam

4.2.2. Adres (indien deze gegevens beschikbaar zijn)

4.2.3. Geboortedatum en -plaats (indien deze gegevens beschikbaar zijn)

4.3. Anderen

4.3.1. Volledige naam

4.3.2. Adres (indien deze gegevens beschikbaar zijn)

4.3.3. Geboortedatum en -plaats (indien deze gegevens beschikbaar zijn)

5. Verdediger (indien dit gegeven in de beslissing staat)

5.1. Volledige naam

5.2. Adres (indien dit gegeven beschikbaar is)

6. Gerecht dat de beslissing heeft gegeven

6.1. Naam van het gerecht

6.2. Plaats van het gerecht

7. Beslissing

7.1. Datum

7.2. Referentienummer

8. Kinderen op wie de beslissing betrekking heeft(3)

8.1. Volledige naam en geboortedatum

8.2. Volledige naam en geboortedatum

8.3. Volledige naam en geboortedatum

8.4. Volledige naam en geboortedatum

9. De beslissing brengt de terugkeer van het kind met zich

10. Staat tegen de beslissing hoger beroep open volgens de wet van de lidstaat van herkomst?

10.1. Ja

10.2. Neen

11. De kinderen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord, tenzij dit vanwege hun leeftijd of mate van rijpheid niet raadzaam werd geacht

12. De partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord

13. De beslissing voorziet in de terugkeer van het kind en het gerecht heeft in zijn uitspraak rekening gehouden met de redenen en het bewijsmateriaal die ten grondslag lagen aan het bevel dat is gegeven krachtens artikel 13, onder b), van het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen

14. In voorkomend geval, de bijzonderheden met betrekking tot de maatregelen die door de gerechten of autoriteiten zijn getroffen ter bescherming van het kind na de terugkeer naar de lidstaat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft

15. Namen van de partijen aan wie rechtsbijstand is toegekend

Gedaan te ..., ...

Handtekening en/of stempel

(1) Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000.

(2) Facultatief.

(3) Indien de beslissing betrekking heeft op meer dan vier kinderen, moet een tweede formulier worden gebruikt.

BIJLAGE V

CONCORDANTIETABEL TEN OPZICHTE VAN VERORDENING (EG) Nr. 1347/2000

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE VI

Verklaring van Zweden en Finland overeenkomstig artikel 59, lid 2, onder a), van de verordening betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000.

Verklaring van Zweden:

Overeenkomstig artikel 59, lid 2, onder a), van de verordening van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000, verklaart Zweden dat de Overeenkomst van 6 februari 1931 tussen Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden houdende internationaal-privaatrechtelijke bepalingen ter zake van huwelijk, adoptie en voogdij, met bijbehorend slotprotocol, in de betrekkingen tussen Zweden en Finland geheel toepasselijk is in plaats van de verordening.

Verklaring van Finland:

Overeenkomstig artikel 59, lid 2, onder a), van de verordening van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000, verklaart Finland dat de Overeenkomst van 6 februari 1931 tussen Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden houdende internationaal-privaatrechtelijke bepalingen ter zake van huwelijk, adoptie en voogdij, met bijbehorend slotprotocol, in de betrekkingen tussen Finland en Zweden geheel toepasselijk is in plaats van de verordening.